Banner

Jazz Middelheim

14 augustus 2010, Park Den Brandt

Guy Peters - foto's: Jos L. Knaepen - 15 augustus 2010

Op Dag 3 werd Wilrijk heel even het Lourdes van de Vlaamse jazzfan. De gezellige bedrijvigheid van de eerste twee dagen moest wijken voor een massatoeloop. Voor de komst van Sint Thielemans eerst nog drie uiteenlopende bands, waardoor ook deze dag er eentje werd vol eclecticisme.

Net zoals dat vorig jaar het geval was met The Circle, was er ook dit jaar een project, genaamd Le Pragmatisme du Barman feat. Peter Evans, met een aantal muzikanten die verbonden zijn aan het conservatorium van Antwerpen. Saxofonist Andrew Claes en drummer Teun Verbruggen zijn bekende gezichten, de rest van de band -- Dries Laheye (bas), Ruben Machtelinckx (gitaar), Adriaan Van de Velde (piano )-- zijn jonge talenten. Terwijl vorig jaar gevestigde waarde Mark Turner in huis gehaald was, werd dit jaar een verrassende keuze gemaakt met Peter Evans. Niet alleen omdat die zelf ook nog erg jong is, maar ook (en vooral) omdat hij vooral bekend staat om erg moeilijke avant-garde jazz.

Het Vlaamse kwintet had samen met Evans een set van een uur bij elkaar gesprokkeld en koos naar verwachting voor een zeer experimentele koers, iets dat achteraf bekeken misschien niet zo’n goede beslissing was. De lat werd immers erg hoog gelegd met een onbestemde stijl van openheid, waarbij de muziek door z’n gebrek aan duidelijke structuren, ritmes en wisselwerking heel erg afhankelijk was van de inventiviteit van de muzikanten. De aanwezigen hebben allemaal al bagage zat, maar het leverde aanvankelijk stroeve resultaten op; het zoeken leverde weinig resultaat op, motieven werden aarzelend aangegrepen en doorgespeeld en er kwam te weinig schot in de zaak.

Gezien de korte inlooptijd zou je verwachten dat de muzikanten zich iets meer zouden vastklampen aan ideeën met hoge slaagkansen, maar niets daarvan. Hoewel Evans duidelijk betrokken was bij de muziek en nu en dan subtiel bijstuurde, kregen de muzikanten zowel collectief als individueel vrij spel, met vooral fragmentarische resultaten en opgemerkte knopjesdraaierij van Claes en Verbruggen. Naarmate de set vorderde viel er meer zelfzekerheid te bespeuren en liet Evans ook even zien wat een virtuoos hij is. De climax naar het einde toe, met een donderende sectie die aan The Lounge Lizards deed denken, bracht het project uiteindelijk op het goede spoor.

Aka Moon is aardig op weg naar het derde decennia van z’n bestaan, maar zolang er nog culturen en ritmes te ontdekken vallen, denken Cassol & Co. er niet aan om te stoppen. Ze hingen rond op zowat elk continent, probeerden fusies uit met de meest jazzvreemde elementen, en dat leidt gegarandeerd tot goedonthaalde resultaten. Zelf zijn we niet zo heel erg wereldmuziekachtig aangelegd, dus meteen ook een goede proefpersoon voor dit project, waarbij Aka Moon een verband sloot met de Malinese multi-instrumentalist Baba Sissoko, die nog wat familieleden (Black Machine) meegebracht had om een feestje te bouwen tussen die bleekscheten met hun stiff upper lip.

En het moet gezegd: lang hadden ze er niet voor nodig om een swing op poten te zetten waarbij onze derrière, nochtans legendarisch ongevoelig voor ritmes, ei zo na aan het draaien sloeg. Het was een en al hypnose, met soepele, repeterende figuren van bassist Michel Hatzigeorgiou en verfijnd drumwerk van Stéphane Galland. Fabrizio Cassol (de eerste altsaxofonist op het festival!) pakte steevast uit met vingervlugge, vloeiende en opjuttende solo’s die mooi weerwerk bood voor het ritmisch festijn van de Afrikanen. Met traditionele instrumenten als kalebas en n’goni werd zomerse aanstekelijkheid geproduceerd die in combinatie met het spel van Aka Moon zorgde voor een ware party machine.

Leken structuren aanvankelijk essentieel om de nummers in goede banen te leiden, dan verschoven die later iets meer naar het achterplan om plaats te ruimen voor de pure groove. In handen van minder begenadigde muzikanten kan zoiets snel leiden tot gedoe dat na twintig minuten gaat irriteren en enkel overeind blijft op wereldmuziekfestivals waar iedere door een donkerhuidige muzikant gespeelde noot onthaald wordt als de Heilige Noot, maar hier werkte het uitstekend. Het leidde alleszins tot een enorm enthousiaste reactie bij het publiek en ook wij proberen de wereldjazz intussen in ons hart te sluiten. Zo zorgde Dag 3 toch voor een kleine verrassing.

Vorig jaar stond David Murray, door het gezaghebbende Penguin Guide To Jazz Recordings bestempeld als “the most formidable tenor solist of his generation”, nog op Middelheim met zijn Spaanstalig Nat King Cole-project. Het zoveelste in een reeks waarbij Murray steeds nadrukkelijker het grote publiek en het exotische opzoekt en wat ons betreft ook een alarmerende signaal van creatieve bloedarmoede. Meer nog: als we ouder werk als Ming en The Hill opleggen dan vragen we ons af waar het fout is gegaan met Murray, dus het was ook met enige argwaan dat we het befaamde World Saxophone Quartet opwachtten. Die band, oorspronkelijk met Murray, Oliver Lake, Hamiet Bluiett en wijlen Julius Hemphill situeerde zich ferm in avant-garde hoek om die na een paar jaar te verlaten voor zachtaardiger oorden.

Meer dan dertig jaar na het debuut zijn nog steeds drie van de vier leden present, de vierde plaats is nu voor James Carter. Bijzonder was dat het kwartet werd aangevuld met M’BOOM, het percussiegezelschap dat in 1970 opgericht werd door Max Roach. Veel hoog volk dus, al leidde het aanvankelijk vooral tot erg povere resultaten: de saxen leken elkaar voor de voeten te lopen in de mix, de percussie denderde rommelig op de achtergrond en van een interactie leek geen sprake. Dat zou ook een pijnpunt blijven gedurende het volledige concert: er werd, zeker als er meerdere blazers actief waren, bijzonder weinig gecommuniceerd tussen de muzikanten, en als dat al gebeurde, dan zat er weinig vuur in.

Ondanks goede pogingen van een actieve Carter in het bijzonder, werd vooral redelijk log en ongeïnspireerd gemusiceerd. De eerbetonen (o.m. aan Roach) en het politiek getinte “Yes, We Can” beloven dan wel straffe statements, maar die bleven uit. Hier en daar vingen we een glimp op van de Ellingtoniaanse drukte die sommige van hun oudere platen kenmerkt (“Rio”), en het blijft mooi om Bluiett te horen ronken op z’n bariton, maar zowel het World Saxophone Quartet als M’BOOM kon bezwaarlijk explosief genoemd worden. Slaagden Aka Moon met Baba Sissoko en de zijnen er in om na dertig seconden al een eenheid te vormen, dan bleef het hier vooral bij proberen.

En dan… de Hoogmis, de reden waarom duizenden jazzfans naar Middelheim afzakken. Toots Thielemans (88!), de peter van het festival, is een vaste waarde en wordt onthaald als een heilige. Daar zijn natuurlijk redenen voor: hij heeft een cv waarbij zelfs die van heel wat groten verbleken, hij is een rasechte Belg en hij zal natuurlijk altijd te boek staan als dat bescheiden ketje uit Brussel. Thielemans bezig zien blijft aandoenlijk. Horen hoe hij wat onhandig overschakelt van Nederlands en Engels en terug, de juiste woorden niet vindt of namen vergeet en het vervolgens weglacht: het is van een charmante breekbaarheid die er mee voor zorgt dat de man op handen wordt gedragen. Tijdens het volledige concert hing er dan ook een eerbiedwaardige stilte tot ver buiten de volgestouwde tent. Zolang het niet tijdens de overdonderende applaussalvo’s was dan toch, want de blinde adoratie neigt soms wel naar het genante.

Wie van avontuur, vernieuwing en onvoorspelbaarheid houdt, die is, laten we eerlijk zijn, aan het verkeerde adres bij Toots. De man was de voorbij decennia niet veel terug te vinden in een opnamestudio en moet het vooral hebben van festivalverschijningen (ook nu werd er een nieuw live album voorgesteld), waar hij steevast uitpakt met de klassiekers die onlosmakelijk met hem verbonden zijn. “Bluesette” natuurlijk (hier in een mooie versie, met een aardig stuwende tweede deel), en “The Days Of Wine And Roses”, de Mancini-song die hij zich helemaal toe-eigende. Er viel ook werk van Coltrane te horen. Eerst werd begonnen met de melodie van “Naima”, om vervolgens “Giant Steps” te spelen. Niet te vergelijken met de hectische akkoordenhel van het origineel, maar wel een geslaagde versie.

Dat compenseert ook ten dele de voorspelbaarheid en de soms wat ‘softe’ jazz: Thielemans heeft die nummers allemaal zo vaak gespeeld dat hij ze zich volledig eigen gemaakt heeft, en het is dan ook mooi om te horen hoe hij een origineel (zelfs een evergreen als "Over The Rainbow") soms bewerkt en hoe intens hij met dat bronmateriaal omgaat. Daarbij wordt hij ook ondersteund door een fijngevoelige band die vooral melodisch enorm sterk is. Pianist Karel Boehlee, bassist Hein Van de Geyn en drummer Hans Van Oosterhout zijn professionals die volledig ten dienste van Thielemans spelen en uitpakken met een virtuoze luchtigheid die het allemaal fris houdt. Mochten ook niet ontbreken: Paul Simons “I Do It For Your Love”, Ivan Lins’ “Comecar de Novo” en onverwoestbaar materiaal als “What A Wonderful World” en “Ne Me Quitte Pas”.

Naar verluidt was Thielemans in 2009 kort van adem en had hij het moeilijk om het concert te beëindigen. Dat was deze keer geen euvel: zijn spel was sterker en duidelijker gearticuleerd dan wat je zou verwachten als je hem hoorde praten. Kortom: wie kwam voor Toots, die werd op zijn wenken bediend. Voor wie jazz eenvoudig genieten is, muziek met een ouderwetse entertainmentwaarde, is Toots incontournable. Zo’n concert heeft soms iets van luisteren naar een jazz-zender met vooral wollige romantiek in de aanbieding, maar er gaat een charme van uit die blijft werken. Zo werd Jazz Middelheim (voor ons althans) afgesloten met een aardige noot. We onthouden vooral het excellente concert van Wayne Shorter, maar er vielen gelukkig nog mooie momenten te rapen (al zijn we er niet zeker van of we die binnen een paar jaar nog gaan kunnen oprakelen). Het was alleszins een onderhoudende driedaagse, tot volgend jaar.

E-mailadres Afdrukken
 
Jazz Middelheim

Uit ons archief
Banner

TEST