Banner

Jazz & Sounds Festival, 25-26 maart 2010, Vooruit

Guy Peters - 27 maart 2010

Onlangs verleende de Unesco aan Gent de titel van ‘Creative City Of Music’. Dat het net zo goed ‘City Of Creative Music’ had mogen zijn wordt bewezen met de eerste editie van het gloednieuwe, ambitieuze Jazz & Sounds, dat een indrukwekkende staalkaart biedt van wat er zoal gaande is binnen de hedendaagse experimentele muziek.

Donderdag 25 maart

Rock, jazz en avant-garde gaan hand in hand tijdens het festival, en als er een artiest is die het samengaan van die werelden belichaamt, dan is het wel saxofonist Colin Stetson. De man is vooral bekend door z’n samenwerkingen met o.m. Tom Waits (lees er de boekjes van Alice en Blood Money maar eens op na), Arcade Fire en The National, maar maakte ook al indruk met solowerk als New History Warfare, Vol. 1 (2008), een imposante krachttoer die echter in het niets verglijdt in vergelijking met de live-ervaring die ons te beurt viel. De man teert vooral op twee technieken: de circulaire ademhaling (die hem in staat stelt om ononderbroken te blijven spelen) en die van de multiphonics, waardoor het lijkt alsof z’n ademstoten gespleten worden en je meerdere blazers denkt te horen

Het eerste nummer (“Judges”), dat uitgevoerd werd op een kolossale bassaxofoon (de grote broer van de bariton), was meteen een fenomenale binnenkomer. Stetson wiegde en blies net zo energiek als Mats Gustafsson en galmde als een stoomboot die de Domzaal deed daveren. Al snel wendde hij al z’n technieken aan om de sound aan te dikken, waardoor hij op z’n eentje een overdonderende volheid op poten zette. Zijn songs, waarvan er drie uitgevoerd werden op de bassax, twee op de alt en eentje op de klarinet, zijn doorgaans vrij eenvoudig (hier niet het van-de-hak-op-de-tak-gespring van de free jazz) en zeer repetitief, wat het concert verrassend toegankelijk maakte. Nu eens hard en hypnotisch, dan weer zalvend en haast pastoraal. Stetson legde de lat meteen erg hoog.

Dan naar de theaterzaal voor de samenwerking tussen trompettist Eric Truffaz en pianist Malcom Braff. Of het te maken had met Stetsons oplawaai of de aanpak van de twee is ons niet duidelijk, maar we vonden er eigenlijk maar niks aan. De Zwitserse Truffaz, die van alle markten thuis is, heeft de charme om liefhebbers van zowel klassieke als avontuurlijke jazz aan te spreken, maar wat we te horen kregen klonk weinig geïnspireerd: z’n spel met loops was weinig creatief, z’n versie van Gainsbourgs “Manon” redelijk flets en van chemie met Braff was geen sprake. Van die laatste onthouden we vooral zijn monsterbaard en sandalen. We dropen af richting balzaal, waar we opgewacht werden door de zwaargewichten van deze editie.

Hairy Bones is een van de jongste bands van de legendarische Peter Brötzmann. Een vorige passage deed ons nog vrezen dat hij zijn instrument gewoonweg kapot zou blazen en de energie was er deze keer niet minder op, integendeel. Zelden een band gezien die zo gretig, woest zelfs, uit de startblokken schoot. De saxofonist, die volgend jaar zeventig wordt, speelt nog steeds in lange uithalen, gierende en ziedende ademstoten die dat bekende beeld van Munch van een soundtrack voorzien. Het is een oerklank, een directe uppercut waar geen waarschuwing aan voorafgaat. Zet daar dan nog eens een Japanner bij die er niet in slaagt om een normale klank uit z’n gemanipuleerde trompet te krijgen (Toshinoro Kondo), een Italiaan die met z’n eigen band de muur tussen free jazz en freakpunk consequent sloopt (Massimo Pupillo van Zu) en een jonge Noor die we stilaan de beste jazzdrummer van Europa durven noemen (Paal Nilssen-Love), en je weet dat dat garant staat voor een potje nietsontziend beuken.

Van subtiliteit is hier inderdaad weinig sprake. Als die er al was, dan werd die bovendien netjes de das omgedaan door een loeiharde en lompe geluidsmix, die de viscerale impact van de muziek dan weer ten goede kwam. Stukken duurden doorgaans 10-15 minuten en kenden op enkele losse momenten na (hier en daar een dialoog tussen Nilssen-Love en Brötzmann/Kondo) geen rustpunten. Woeste teringherrie, dat was het. Een onaflatende aframmeling en een festijn voor zij die hun free jazz graag genadeloos en vuil hebben. Meer dan vier decennia na het klassieke Machine Gun staat Brötzmann nog steeds in de frontline van een stroming binnen het genre die hij op de kaart hielp zetten. Vier decennia na Machine Gun is het nog steeds een van de meest opwindende dingen die op een podium te horen zijn.

Vrijdag 26 maart

De tweede dag bood de luisteraar meteen de kans om een andere legende van de vrije muziek aan het werk te zien. Joëlle Léandre is dan wel een onbekende bij het brede publiek, in kringen van avant-garde, improvisatie en free jazz wordt zij tot de allergrootsten gerekend. De lijst van haar muzikale partners (van Anthony Braxton en George Lewis tot Zorn, William Parker en Derek Bailey) leest als een wie is wie van het genre en wordt enkel nog overtroffen door de diversiteit van haar werk. In de balzaal deed ze het alleen, voor het podium, met haar contrabas en een strijkstok. Het werd daarbij meteen duidelijk dat Léandre het instrument beheerst op een manier die weinigen gegeven is. Net als bij wijlen Peter Kowald, William Parker of Barry Guy lijkt het alsof de muzikante zo veel verder gaat dan het instrument bespelen. Ze heeft zich het object zo eigen gemaakt dat ze er haast een verlengstuk van geworden is.

{image}

De performance zorgde alleszins voor een even intimiderende als intellectuele uitdaging. Bij Léandre geen makkelijk in het gehoor liggende grooves en loopjes, maar eclectische experimenten en contrasten, via moderne klassiek, radicale improvisatie en theatrale spielereien. De subtiele momenten kwamen niet echt uit de verf in een context die intimiteit miste, al was het een feest om haar te zien omspringen met het instrument en bekken te zien trekken. Nu en dan werd het (ongewild) grappig door het gekreun, gesteun en gesis, al werd dat meteen ook gerelativeerd door een stuk waarvoor ze zich volledig te buiten ging aan nonsenspoëzie (zo klonk het althans) en snarenmishandeling. Op een hoogstpersoonlijke manier maakte Léandre al net zo veel indruk als Stetson een dag eerder.

Intussen had het vijftienkoppige Flat Earth Society onder leiding van Peter Vermeersch zich klaargemaakt voor een confrontatie met John Watts, in een vorig leven nog frontman van het vrij populaire Fisher-Z (misschien kent u “The Worker” nog?). We werden op voorhand al gerustgesteld: de onwaarschijnlijke combinatie van een wat oudere rocker en een absurdistische big band zou wérken, al zijn we daar na dit concert niet zo zeker van. Met z’n combinatie van Sun Ra Arkestra, Mingus, Ellington en James Bond-thema’s staat FES al jaren garant voor rebelse, postmoderne kruisbestuivingen, wat vaak extra in de verf wordt gezet door Zappaiaanse spielereien en hyperenergieke uitbarstingen van een bezopen balorkest (dat er wel steeds in slaagt om verdacht strak verder te spelen), dus een lallende Brit met ervaring als voormalig psychiatrisch verpleegkundige moest er nog wel bij kunnen.

De stijl van FES bleef intact: gelaagde arrangementen die nu eens plaats maakten voor kleine solomomenten en dan weer evolueerden naar een enorme geluidenbrij (wat wil je, met niet minder dan tien blazers op een podium?), woordspelletjes en stilistische cut & paste, ook als het werk van Fisher-Z door de mangel gehaald werd. De al te aanstellerige act van Watts zorgde er echter voor dat de totaalsound die sowieso al op een slappe koord tussen pastiche en virtuositeit danste, gevaarlijk begon over te hellen naar de verkeerde richting. De man bralde wat af, wist er niet beter op dan tijdens een song over een dode hond wat op handen en voeten rond te kruipen en wilde per se z’n stempel drukken op een concert met een kermisfactor die al hoog genoeg lag. Het resultaat: een band die het zonder hem beter had gedaan.

Afsluiter van dienst was Elliott Sharp, een vaste waarde van de New Yorkse scene, die met z’n semilegendarische band Carbon voor het eerst in een kleine vijftien jaar naar Europa was afgezakt. De man is, net zoals heel wat andere artiesten op dit festival, thuis in heel wat stijlen en werelden, en enkele daarvan kwamen ook nu aan bod. Met Carbon zit hij tussen de grootstadsjazz van Marc Ribot’s Ceramic Dog, de no wave van James Chance, de cyberfunk van Defunkt en het repetitieve van krautrock. Met harpiste Zeena Parkins, die het deed op een vreemd elektrisch model, pakte het kwintet alvast uit met een aparte sound, die helaas snel z’n beperkingen kende.

De ritmesectie klonk doorgaans simpel en log (ondanks wat aardige hoekige grooves), de synths speelden een ondergeschikte rol en Parkins deed haar harp klinken als een vervormde gitaar. Tot ergernis van Sharp blijkbaar, want die maande haar enkele keren aan om stiller te spelen. De man zelf pakte vooral uit met een kronkelende, dissonante stijl, die echter nooit de schwung van Ribot had, de power van Sharrock of de rommelige charme van Eugene Chadbourne. Meer nog: ondanks ’s mans imposante cv bleven we op onze honger zitten. Carbon klonk wel cool, maar bleef doorgaans ook erg onpersoonlijk en soms zelfs machinaal, wat nu en dan gelukkig doorbroken werd als Sharp z’n minisax bovenhaalde. Zeker leuk om de band eindelijk eens aan het werk te kunnen zien, maar van een revelatie was geen sprake.

E-mailadres Afdrukken