Banner

Jazzathome Festival: Natashia Kelly Group, Antoine Pierre Urbex & DST Trio

10 september 2017, Mechelen

Guy Peters - 12 september 2017

Voor de dertiende keer al vond in Mechelen Jazzathome plaats, een zondagnamiddag waarop 24 bands op evenveel locaties drie concerten van 45 minuten spelen, waardoor je drie concerten kan meepikken op één namiddag. We gingen voor maximale diversiteit, zowel qua locatie als qua muziek.

De drie avonden voordien vielen er ook al een paar concerten te zien, maar de namiddag blijft wat het festival onderscheidt. Het is een geslaagd concept, want je wordt op wandel gestuurd in de Mechelse binnenstad en belandt soms op minder bekende plaatsen of in een deelnemende huiskamer. Kortom: kleinschaligheid troef, en dat is iets waar de meeste artiesten alleen maar baat bij hebben.

De Natashia Kelly Group speelde in De Noker, een 16de eeuws gebouw van de Cellebroeders kloosterorde. De bezetting week deze keer wat af van de vorige die we zagen (ook al in Mechelen), met gitarist Jan Ghesquière die in de plaats van Edmund Lauret gekomen was, en Raphael Malfliet die Brice Soniano verving op basgitaar. Het was even wachten wat het ging worden met het geluid in de kapel, maar snel werd duidelijk dat de atmosferische muziek van het kwartet er een troef bij gekregen had. De ingetogen, in soundscapes van elektronicaman Juan Parra sudderende songs, moest het vooral hebben van lange klanken en zachte, uitwaaierende texturen die eindeloos leken te resoneren.

Vanaf “Emotions” bewees Kelly meteen haar vermogen tot nuance en subtiele timing. Ze heeft een wendbare stem, waarmee ze desgewenst in de blues kan duiken, maar die vooral toch uitblinkt in een hoger register. Het was bovendien ook erg mooi in combinatie met het twangy gitaarspel, en met een stukje woordenloze zang ging het al helemaal naar het Noorden. Het is muziek die, zeker in een compositie die geleend was van Lionel Beuvens, een soort antieke spirit in zich draagt, een kern die eeuwenoud lijkt. Het nieuwe “Sacred Song” was een meeslepend hoogtepunt, waarin een opvallende rol weggelegd was voor Malfliet, die een bijzonder expressieve solo uit de bas kneep, terwijl de gitaar ondersteunde.

Ook “Ballad Of A Thin Man”, dat Kelly een tijd geleden al knap naar haar hand zette, was opnieuw een hoogtepunt, met een erg geslaagde timing, een soepel spel met Dylans woorden en een expressiviteit die maar bleef toenemen. Voor een kort solostuk begeleidde Kelly zichzelf met ritmisch geklap en werd gelinkt naar de Amerikaanse rootstraditie. Dit was aardser en bluesier, een zwarte hymne in een parelwitte kapel. Afsluiten gebeurde met nog een knappe compositie, “The Ocean”, waarmee nog maar eens duidelijk werd dat het kwartet echt beschikt over een eigen stijl in het niemandsland tussen jazz, pop, folk en experimentele toetsen. Een authentiek geluid, dat intussen toe is aan een groter publiek.

Vervolgens richting Sint-Rombouts, naar wat misschien wel Mechelens belangrijkste bijdrage is aan onze jazzcultuur: de befaamde Jazzzolder, waar al menig binnen- en buitenlands artiest mocht aantreden, en waar je in een unieke omgeving concerten kan bijwonen. Geen kaal, zielloos beton en glas, maar een echte bruine club van hout en baksteen (die binnenkort weliswaar gerenoveerd zal worden). We zagen er drummer Antoine Pierre met Urbex in kwintetbezetting. Hij werd daarvoor geflankeerd door elektrisch bassist Felix Zurstrassen, gitarist Bert Cools, trompettist Jean-Paul Estiévenart en, misschien verrassend, pianist Fabian Fiorini. Die laatste kon zich ook een paar keer laten gelden met sterke solo’s en interventies.

Het was Pierre zelf die het concert op gang bracht met muziek uit zijn eerste album. Meteen werd duidelijk dat dit anders ging klinken dan met de grote bezetting zoals op het Middelheimpodium. De stukken bewaarden hun broeierige, moderne vibe, maar waren wat minder overladen en bevatten meer ademruimte. Zo kon Cools zich meteen laten gelden met een lange solo over een complexe, ongrijpbare ritmische ondergrond. Dat een kleinere bezetting niet noodzakelijk betekent dat het allemaal vanzelf gaat, werd wel even duidelijk tijdens “Survival Mode”, dat een paar keer voor verwarring zorgde over wie wat moest doen. Het leidde tot wat stuurse blikken en een compositie die net niet in de soep gedraaid werd. Ook dat is jazz.

De band wist zich te herpakken met ballade “Les Douze Marionettes”, waarin Cools zich te buiten kon gaan aan eigenaardige effecten, maar vooral Fiorini de show stal met een intense solo. Sober, maar maximaal efficiënt. Het stuk ging naadloos over in een ander nieuw stuk, dat net als op Middelheim een druk, urban geluid uitwasemde en waarin de spieren getoond werden. Ondanks die kernbezetting leverde het nog altijd ferme lappen muziek op, want na vier composities was de tijd al bijna op. De resterende paar minuten werden gebruikt voor “Consequences”, met een struikelend ritme, en een piano en gitaar die elkaar knap doorkruisten terwijl bas en trompet staccato-accenten plaatsten. En zo werd er eigenlijk gepiekt met een stuk dat (noodgedwongen) kort gehouden werd. Misschien toch stof tot nadenken?

Van een onbekende façade in de bovenkant van de binnenstad en een stukje jazzgeschiedenis in het centrum, trokken we zuidwaarts. Dicht bij het station was een charmante huiskamer opengesteld voor het DST Trio: Jan Daelman en Thijs Troch van Keenroh, Kabas, Northern Escorts en een dozijn andere bands, met gitarist Dirk Serries. Dit trio was zowat de tegenpool van Urbex, want de voluptueuze stadsjazz werd hier vervangen door iets dat je enkel kan omschrijven als een soort van muzikale ascese. Van Serries viel dat te verwachten, want de man heeft een halve carrière gebouwd op soloreleases die resoluut in eindeloos klankonderzoek en trage dynamiek duiken, maar met de twee jongelingen erbij klonk dat weer heel anders.

Dit was een minimale bedoening die regelmatig richting hedendaagse muziek lonkte en aanvoelde als een verzameling van onalledaagse geluiden die in uiteenlopende constellaties op elkaar gepast werden. De gitarist hield de gitaar een groot deel van de tijd op de schoot, stak stokjes tussen de snaren en bewoog een metalen veer en een slide over de snaren. Troch plukte snaren in de geprepareerde pianobuik of liet kleine riedels ontsnappen, terwijl Daelman aanhoudende golven blies op de dwarsfluit. Erg kaal en open, maar toch ook voorzien van vrij afgelijnde markeringen, momenten waarop gewisseld werd van instrument of speelwijze. Zo ging Daelman een cimbaal bewerken met een strijkstok en iets later lucht laten circuleren door een tenorsax.

Het klonk zoals heel wat releases op het Mikroton-label dat doen: intimistisch, gedetailleerd, op het autistische af. Het was wel mooi om te horen hoe hecht het geluid bleef, want het slow motion-parcours bleef een collectieve oefening in transformatie. Fraai moment: toen Serries even bleef hangen in een ambient-geluid en de andere twee stelselmatig binnen trippelden met muzikale regendruppels en een toenemende intensiteit. Geen evidente muziek, integendeel. Het waren vooral onalledaagse geluiden, die dan nog eens uitgevoerd werden op fluisterniveau, maar wel in drie verteerbare bewegingen die een boeiende slingerbeweging maakten tussen meditatieve coherentie en voorzichtige ontregeling.

E-mailadres Afdrukken