Banner

Summer Bummer Festival

25 + 26 augustus 2017, Zuiderpershuis

Guy Peters - foto's: Mario Pollé & Geert Vandepoele - 30 augustus 2017

Terwijl het wachten is tot de clubconcerten eindelijk weer op gang komen, nadert het festivalseizoen stilaan z’n einde. “Onze Pukkelpop valt een weekje later”, verzuchtte een kennis onlangs. En terecht, want het Summer Bummer Festival van Sound In Motion is een van de weinige dat resoluut de kaart trekt van het avontuur en de experimentele muziek, met een focus op elektronica en vrije improvisatie. Dat het op z’n minst fascinerend zou worden, dat stond al vast. Hopelijk zouden de kwaliteit en ontdekkingen volgen.

Zaterdag 26 augustus

Ook al ging het voornamelijk om ruis en ontsnapte druk, klanken die geen noten waren, toch startte Audrey Lauro (altsax) vrij agressief aan het concert met Hanne De Backer (baritonsax) en Farida Amadou (basgitaar). Het was een duidelijk signaal: van afwachten en zachtjes aftasten zou geen sprake zijn. Voor je het wist waren de drie dan ook beland in een wringende interactie van schrille en snerpende uitschieters, bronstig gebrap en de percussieve PLOP-PLOP-PLOP van Amadou, die de snaren plukte en slapte. Kreeg je aanvankelijk de indruk dat Lauro resoluut het voortouw naam, dan ging de balans daarna meer in evenwicht. Intussen reageerde De Backer fraai met ritmische accenten op de geconcentreerde vloed van haar excentriek blazende collega.

Amadou speelde vrij en inventief, niet meteen met de kracht van, pakweg, een Jamaladeen Tacuma of Ingebrigt Håker Flaten, maar wel vindingrijk, door te hinten naar grooves zonder ze écht te spelen en het wandelen en tikken op de snaren aan te vullen met effecten die ze maakte met allerhande objecten. Van open geharrewar en schijnbare willekeur ging het naar korte momenten van hechtheid, waarin lange golven en staccato salvo’s structuur gaven. Het was duidelijk zoeken, maar op z’n best had het al iets van de raadselachtige synchrone bewegingen van een vlucht spreeuwen. Alert en coherent, zonder dat je echt vat kon krijgen op het ‘systeem’ erachter. Niet slecht voor een eerste ontmoeting.

Het was wél even een mentale switch maken bij de overstap naar Brahmen Raag. Kreeg je bij het eerste trio een vorm van improvisatie voorgeschoteld die binnen een seconde een andere richting kon uitslaan of gedaante kon aannemen, dan waren David Edren (DSR Lines) en Glen Steenkiste (Hellvete) daarna bezig op een andere snelheid. De eerste heeft zich de voorbije twee decennia tot een expert van de modulaire synths, de tweede heeft zich onder het pseudoniem Hellvete gespecialiseerd in de relatief zeldzame harmonium, die gecombineerd wordt met elektronica. De zaal werd zo goed als compleet verduisterd voor een luisterspel dat de zintuigen dwong tot een slowmotionbeweging.

Beweren dat de korte set minimalistisch was, zou een understatement van formaat zijn. Om in de gewenste meditatieve staat te komen, werd heel langzaam verkend, een drone op gang gebracht met uitgebeende synthlijnen en klankgolven die weggeplukt leken uit de Vedische tradities. Gaandeweg kwamen Steenkiste’s harmoniums meer naar de voorgrond, tot die vergezeld werden door ritmische patronen met een exotische inslag. Er zat wel beweging in deze rustigevende improvisatie/trip, maar die was niet prioritair en minder uitgesproken dan op hun vorig jaar verschenen cassette. Wat voor de ene iets had van wegzinken in een bad van geluid, was voor prikkeljunks vermoedelijk een kleine beproeving.

Het is veelzeggend dat Yves De Mey in heel wat teksten niet wordt omschreven als een elektronicaspecialist, laat staan als een dj, maar als een sound sculptor, een klankeningenieur die met kwikzilveren expertise aan de slag gaat en in staat is tot even indringende, uitdagende als extreme verkenningen. Repetitieve beats komen daar zelden bij kijken, ook al waart er soms wel wat technoresidu rond in 's mans creaties. De Meys muziek is donker, resoluut on-groovy en vooral heel erg grillig. Recente plaat Drawn With Shadow Pens varieerde van minimaal met insisterende blips en zeurende ruis, tot een percussieve wirwar met abrupte klanken die als ijsschotsen in je nek geplant werden.

In het Zuiderpershuis koos De Mey voor een doorlopende set van zo’n veertig minuten, een geïmproviseerde (?) sessie die hem voerde langs complexe, futuristische en voortdurend transformerende bewegingen die zelden zo coherent klonken, of in een sfeer bleven hangen, als op het bovenvermelde album. Kon je daar nog rondwaren in die vaak kille ondergrondse werelden, dan was het nu zoeken naar een ingang. Het voelde bij momenten aan alsof De Mey het hele arsenaal aan mogelijkheden dat hij ter beschikking had daadwerkelijk wilde uittesten. Dat maakte het een intrigerende en uitdagende performance, al was het bij momenten zo abstract dat er als luisteraar niet veel meer op zat dan toekijken.

Martin Küchen, Johan Berthling en Steve Noble zijn intussen al oude bekenden voor vaste klanten van Sound In Motion/Oorstof, en muzikanten die stuk voor stuk behoren tot het kransje van kleppers die het verschil maken binnen de geïmproviseerde muziek. Ze hadden even tijd nodig om op temperatuur te komen. Nochtans beschik je met Noble over een rasechte motor, een vitale storm van ritme en geluid die kan stuwen als geen ander en onwaarschijnlijk alert countert, maar ook risico’s neemt, door bvb. abrupte stops in te lassen. Hij was al druk in de weer terwijl Küchen nog op zoek was naar een gegeerde klank door een blikje in z’n altsax te steken. Het was de aarzelende en zoekende start van een concert dat steeds gebalder en krachtiger werd, om uiteindelijk te belanden bij de toeterchaos zoals je die ook om de oren geslagen kreeg van Ayler & co. in het gezegende jaar 1964.

Daarvoor waren ook al verschillende routes uitgeprobeerd, zoals een treurige elegie van de rietblazer, die ondersteund werd met een majestueuze sound, of een sopranino, die de koers verlegde richting Marrakesh. Al waren ze even later alweer terug te vinden in Balkancontreien, met Küchen die, wijdbeens en voorovergebogen, iets produceerde tussen een doodsmars en ganzengegaggel. Het was een set die nogal botste, geen directe oplawaai was en ook geen duidelijke flow of spanningsboog had, maar met die combinatie van fragmentatie en repetitieve elementen gestaag won aan impact, tot er naar het einde van de set wat bommetjes gedropt werden en een fragiele serenade afrondde. Geinig: de bisronde, waarbij Noble als een volleerd wereldreiziger aarzelde tussen de taptoe van Delft en carnaval in Rio.

Sinds hij een jaar of acht geleden een (solo) comeback maakte, is Bill Orcutt uitgegroeid tot een naam in de experimentele muziek. En eigenlijk wel terecht, want ’s mans productiviteit en samenwerkingen (met o.m. Chris Corsano, Okkyung Lee en Loren Connors) zijn steevast van hoog niveau en getuigen van een heel eigen karakter. Met de 4-snarige, akoestische Kay ontwikkelde Orcutt een unieke stijl die hem intussen in het gezelschap van idiosyncratische aristocratie plaatste: Derek Bailey, Sonny Sharrock, John Fahey. Dat soort kerels. Opvallend is dat Orcutt redelijk recent terugkeerde naar zijn oude liefde: de elektrische gitaar. Daarnaast is hij zich ook gaan ontpoppen tot een archivaris van de Amerikaanse rootsmuziek, maar dan met de bedenking dat er geen sprake kan zijn van getrouwe hommages.

Het is de geest van stukken en artiesten die Orcutt bezoekt, niet zozeer de herkenbare structuren. Die stijl leent zich trouwens niet tot duidelijke afspraken, want Orcutt liet de Telecaster huilen, kerven en janken, met veel bending, zonder een seconde als B.B. King te klinken. Orcutts solo’s zijn notenregens waarin thema’s radicaal naar de pleuris gefuckt worden, en dat met een soms overdonderende energie, die nog meer gemeen heeft met Cecil Taylor dan met Hendrix. “Ol’ Man River” zorgde voor een moment van zachtmoedigheid, maar zachte picking moest snel baan ruimen voor witheet snijdende uithalen, terwijl “Lonely Woman” een vroeg hoogtepunt was dat bijna barstte door een vloed aan snarengeweld. Orcutt speelde behoorlijk luid en z’n spel flirtte met de chaos, maar de spirit van gospel, spirituals en hymnes bleef als een spook door de set waren. Hét hoogtepunt van Dag 1.

Tenslotte Gas. Het pionierswerk van Wolfgang Voigt vond vooral plaats in de jaren negentig, maar dat belette niet dat er toch halsreikend werd uitgekeken naar Narkopop, zijn eerste album in 17 jaar. En naar dit concert, dat aangekondigd werd als een unieke audiovisuele belevenis. Of het dat was hing voor een deel misschien al af of je iets hebt met Voigts muziek. Die zit voortdurend in een spreidstand tussen zorgvuldig gelaagde ambient en minimale techno. Het originele doel: "bring the forest to the disco, or vice-versa". Net als op Narkopop leek het dan ook alsof het volledige concert, waarvoor de zaal opnieuw verduisterd werd, zich tijdens een onophoudelijke plensbui afspeelde. Terwijl woudbeelden geprojecteerd werden, stond Voigt stokstijf achter een laptop om van daaruit zijn geluidsmassa uit de speakers te laten gulpen.

Die massa was een wentelende combinatie van synths, strijkerssamples, eindeloos gestapelde lagen en effecten, en de bekende ondergrondse beats, die de ene keer meer naar de voorgrond kwamen, en soms helemaal naar de achtergrond verdwenen. Een resem composities uit Narkpop liepen in elkaar over, waarbij vooral opviel dat vooral de meer ritmische stukken, zoals het stampende “Narkopop 5”, helemaal tot hun recht kwamen binnen deze context. Het rekken van passages en mixen van stukken gebeurde terplekke, maar de meerwaarde van het concert zat er niet zozeer in dat er iets nieuws gebeurde met die stukken of dat er verrassingen te rapen vielen, maar vooral dat je ’t kon horen binnen deze context, met een optimale sound, inclusief diepe subs die je een uurtje boven de grond lieten leviteren.

Zondag 27 augustus

Dat Frans Van Isacker (altsax) en Elko Blijweert (gitaar) elkaar blindelings vinden, bewezen ze enkele jaren geleden al met Atlajala Land, een even speelse als schizofrene plaat die kon gelden als staalkaart van hun kunnen. Live werden daar nog een paar scheppen bovenop gedaan en was het vooral een beetje verbaasd toekijken hoe die sterk afwijkende stijlen toch in elkaar gepast konden worden. Van Isacker hanteerde vaak een redelijk abstracte aanpak, met sputterende motiefjes, speekselruis en lyrische wasem. Het ene moment met de scherpe, harde klank van een Jackie McLean, even later zacht waaiend als Lee Konitz. Soms schijnbaar op een parcours van isolement, maar regelmatig ook in een uitwisseling van salvo’s met Blijweert, die zich kon laten gaan met een oneindig arsenaal.

Soms had het iets van een muzikale multiple personality disorder, waarbij de gitarist zo snel van idee wisselde, aangedikt door een expressieve lichaamstaal, dat hij Naked City’s “Speedfreaks” naar de kroon leek te willen steken. Het gebeurde echter zo inventief dat je soms met open mond zat toe te kijken. Hij heeft z’n eigen stijl, maar het herinnerde regelmatig aan de spookblues van Gary Lucas, de prairiewind van Frisell, de withete intensiteit van Sharrock en Ribot, maar je kon het net zo goed hebben over Buckethead, Fred Frith, Dimebag Darrell of Kerry King. Het was een bont kleurboek dat voorbij vloog en afgerond werd met een toepasselijk stukje thrash jazz van een seconde of vijf. Dag 2 begon ijzersterk.

Auteur, componiste, fotografe, performer en geluidskunstenares Poulomi Desai beweegt intussen al zo’n drie decennia tussen verschillende werelden, op zoek naar nieuwe perspectieven en manieren van expressie. Het was afwachten wat haar performance zou brengen en heimelijk hoopten we op een ontdekking, misschien wel een revelatie, maar dat werd het niet. Nochtans waren we benieuwd naar hoe ze zo’n traditioneel instrument als de sitar een nieuwe context zou geven met elektronica, loops en allerhande objecten. Er kwam een strijkstok aan te pas, waarmee ze zorgde voor percussief gehamer, haast industrieel kabaal en brommende drones. Aanvankelijk gebeurde dat allemaal erg stroef, leek de focus te ontbreken en had de flitsende lichtdarm weinig meerwaarde. Gaandeweg werd ongedurigheid ingeruild voor meer cohesie en met opzwepende field recordings kreeg haar performance een ritmische drive die meer houvast bood. Niettemin: gemengde gevoelens.

Met het duo Niels Van Heertum (euphonium) en Eric Boeren (kornet) ging het weer een heel andere kant uit. Voor de eerste en enige keer stond er bladmuziek klaar, en de twee brachten een performance die soms diep de jazztraditie in dook (inclusief een stuk Ellington, de gigant waar Boeren zelfs een hele band aan wijdt), om van daaruit ook wel andere oorden te verkennen. Ze kwamen al blazend aangelopen om vervolgens samen toonladders op en af te gaan. Simultaan, maar met een rafelig randje, waarbij het vooral mooi was om te zien hoe die twee sterk verschillende instrumenten gecombineerd werden. Boeren met dat vingervlugge spel, met soms ook lange uithalen en korte spurtjes, Van Heertum daarnaast iets slomer, maar ook in de weer met knappe trileffecten. Soms leek het alsof Boeren een marsaanzet speelde, waar Van Heertum vervolgens commentaar bij leverde.

Ondanks de bladmuziek, afspraken en Boerens signalen, was er ook ruimte voor vrijheid en variatie. Boeren pakte uit met schrille uitschieters, Van Heertum antwoordde al even frivool, pompommend, maar ook met verrassend snerpende pieken en koeiengeloei. Het was een concert dat ook ruimte maakte voor humor – een plop van Boerens kornet was de start van een rondje geluidjes maken – en speelsheid, waarbij de muziek afwisselend een trippelende lichtvoetigheid, opmerkelijke fragiliteit en zelfs kale blues kreeg. Intiem en ‘klein’, maar ook grappig, creatief en mooi.

De Deense altsaxofoniste Julie Kjær was ons lange tijd vooral bekend van haar lidmaatschap in Paal Nilssen-Love’s Large Unit, tot ze vorig jaar plots op de proppen kwam met een trioplaat op Clean Feed, Dobbeltgæenger, die haar liet horen in het bijzijn van zware jongens John Edwards en Steve Noble. Die vormen een van de meest bevlogen ritmesecties uit de vrije improvisatie, iets dat ze al bewezen naast o.m. Peter Brötzmann, Evan Parker, Alan Wilkinson, Joe McPhee en andere kanonnen. Het is een virtuoos, perfect geolied tweespan dat speelt als een Siamese tweeling: geen speld tussen te krijgen. M.a.w.: ideale metgezellen, al moet je maar het lef hebben om je met zo’n volk in te laten. Julie Kjær liet wel, net als op het album, horen dat ze de leider is, met composities die haar bevlogenheid uit de doeken deden.

Met springerige lijnen, vurige herhalingen en een felle klank zat er meteen veel energie in de set, die nog extra opgepookt werd door haar kompanen. Edwards deed het met die bekende lijfelijkheid, dwingende baslijnen, knoestige sound en hyper-expressieve technieken, Noble met een combinatie van nonchalant gemak, meesterlijke controle en waanzinnige kracht, waarmee hij meer dan eens op een combinatie van Art Blakey, Han Bennink en Animal werd. Het is een trio dat moeiteloos bewoog van broeierige, Indisch getinte grooves (zeker met Kjær op fluit) naar plotse turbowendingen, momenten van waanzinnige, tricky timing en explosiviteit met een haast mechanische manie. Het was een gedreven performance die speels, vrij en bij momenteel zelfs spiritueel klonk, en waarbij Kjaer soms tekeerging als een duivel in een wijwatervat. Bij momenten erg indrukwekkend, al kon je je ook niet van de indruk ontdoen dat de twee geweldenaars nog even een maatje te groot zijn voor de saxofoniste. Toch werden er heel wat zieltjes gewonnen.

En dan wat het hoogtepunt van deze Summer Bummer zou worden. De voorbije twee jaar vond Peter Brötzmann een nieuwe muze in Heather Leigh, wat intussen al een aardige lijst concerten en twee albums opleverde. Nu werd met trompettist Toshinori Kondo een oude bekende toegevoegd aan het duo, en dat had z’n effect. Het samenspel van dit trio belandde met een smak tegen het middenrif, om zich van daar te verspreiden over het lichaam. Er is recent al wat gepaleverd over het feit dat Brötzmann reserves aanspreekt die daarvoor relatief onbekend (of zorgvuldig weggemoffeld) waren. De man beschikt nog altijd over een woest, ontembaar timbre, maar de hardheid daarin heeft gaandeweg ook meer plaats gemaakt voor warmte en tederheid. Het leidde deze keer tot een fabuleuze emotionele kopstoot.

Nochtans begon het allemaal redelijk traditioneel, met de rietblazer die krachtig aanzette op de tarogato, terwijl Leigh de klokken luidde op de pedal steel en Toshinori Kondo z’n trompetspel liet baden in een weelderige galm met een sci-fi randje. De som vormde snel een collectieve weemoed, lyrisch en opmerkelijk fragiel. Het scharnierpunt volgde al na een minuut of tien, toen Brötzmann in een harmonieuze passage binnenviel op tenorsax met een rauwe kreet die door merg en been ging. Het was de doorstart van een performance die vervolgens flirtte met primitieve blues en space jazz, geurde naar prairiestof. Kondo schreeuwde het uit, Brötzmanns hoofd verdween zo diep tussen z’n schouders dat het hart binnen bereik was, en Leigh leek wel het medium tussen de twee, een spiritueel doorgeefluik van huilend en daverend orkaangebulder.

Er zat een gerafelde grandeur in deze muziek, die als een gulpende lavastroom een baan zocht en alles bedolf onder een laag dikke, haast versmachtende, intense weemoed. Het was misschien geen perfecte performance, daarvoor waren een paar overgangen misschien wat abrupt, maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door een rijke belevingswereld, in elkaar gepast door een paar meesters die al hun ervaring in de strijd gooiden en in Leigh een ideale metgezel vonden. Het barstte van de soul, het was gul en oprecht. De kus die Brötzmann achteraf op het hoofd van Leigh plantte sprak boekdelen, net als de omhelzing van Kondo. Een pakkend, liefdevol, onvergetelijk concert.

Het was, kortom, een vergiftigd geschenk voor Oren Ambarchi, de Australische alchemist. Die zat in het halfduister, weggedoken achter een tafel die bedekt was met allerhande spullen, met een gitaar op schoot. Het was hiervoor zo goed als onbegonnen werk om de concerten van Ambarchi te labelen, en dat was ook nu zo. Op een constant brommende grondtoon werkte de man aan een weelderige symfonie van grijstinten, samengesteld uit gloeiende ambientklanken, pulserende elektronica en gitaarspel dat eindeloos werd bewerkt, waardoor het ene moment een koele wind door het Zuiderspershuis gierde en even later een drukke stapeling plaatsvond van wat leek op een gesjeesd strijkkwartet. De impact was minder frontaal en emotioneel als die van zijn voorgangers, maar werd uitgevoerd met een focus en organische beweging die al net zoveel respect afdwong.

Summer Bummer volgde doorheen twee dagen een even uitdagend als divers parcours, dat liefhebbers van diverse genres liet proeven van even afwijkende als verwante vormen van expressie. Je neemt risico’s als je dit boeltje organiseert, wat betekent dat de kwaliteit kan wisselen en dat je niet voortdurend iedereen bij de les houdt, maar daar staat wel tegenover dat het avontuur centraal staat, dat er ontdekkingen te doen vallen, en ook deze editie een paar ijzersterke en zelfs fantastische concerten in de aanbieding had. En dat lag wél in de lijn van de verwachtingen.

E-mailadres Afdrukken