Banner

Jazz Middelheim 2014

14-17 augustus 2014, Park Den Brandt

Guy Peters - foto's: Geert Vandepoele - 18 augustus 2014

Ah, Jazz Middelheim, met z’n drieëndertig edities een van de oudste en meest gerenommeerde jazzfestivals van deze contreien en nog altijd gezegend met een charme waar het Gentse zusterfestival nog steeds naar op zoek is. 19.000 bezoekers vonden hun weg naar Wilrijk voor een vierdaagse die meer dan eens getuigde van een zekere vernieuwing. Het resultaat: een van de betere edities van de voorbije jaren, eentje die prikkelde en charmeerde, een paar keer ook teleurstelde, maar toch vaker wist te verrassen.

Jazz is verandering. Dat is een leuze die zowel in Gent als in Antwerpen regelmatig te lezen en te horen viel. Is dat dan een vaststelling, een gebod of een ambitie? Misschien wel een beetje van dat alles. Er is natuurlijk ook nog die socio-politieke invulling (hoe de jazzgeschiedenis vaak een even innig als explosief verbond vormde met maatschappelijke verschuivingen), al lijkt die nu wat meer op het achterplan geschoven (maar niet voor iedereen, zoals zou blijken). En er is natuurlijk ook de verandering als groei en beweging, een proces van vernieuwing en verjonging dat zich misschien niet aan het razende tempo van de popcultuur voltrekt, maar niettemin een onophoudelijke reis vol avontuur garandeert.

Het was fijn om wat recente consternatie binnen de internationale jazzgemeenschap te belichten vanuit die hoek. Kort samengevat: het gerespecteerde magazine The New Yorker had een schrijver ingehuurd om een artikel te schrijven waarvan de straffe uitspraken (allerlei fraais in de trant van “jazz is saai/nutteloos/tijdverspilling”) zogezegd van Sonny Rollins kwam. Dat het ging om satire (weliswaar van de flauwe soort) leek velen te ontgaan, maar zelfs als die toch zo begrepen werd, leidde het tot een heen-en-weergefoeter van jewelste, waarbij muzikanten, journalisten en liefhebbers vochten om de meest verontwaardigde reacties.

Will Layman, jazzrecensent bij website Popmatters, publiceerde vandaag een terugblik op het artikel (en nog een tweede) en legt misschien wel het best de vinger op de wonde. Het probleem is immers niet dat de muziek saai of elitair zou zijn, maar dat het genre als geen ander het slachtoffer werd van zijn eigen mythologie, die ook in stand gehouden wordt door de jazzwereld en -journalisten. Door de kunstvorm een organische identiteit te ontzeggen, te codificeren en uit te roepen tot (Amerika’s) klassieke muziek, is het een onaantastbaar blok geworden waar geen verkeerd woord over gezegd mag worden. En dat is een spijtige zaak, want het houdt het clichébeeld van al te gecompliceerde muziek voor een pedante, intellectuele elite in stand. Wie rondliep in Middelheim kon ook het tegendeel horen.

Natuurlijk, geeft ook Layman mee, heeft die traditie waarde, moet ze in ere gehouden worden en zelfs een plaats (blijven) krijgen op festivals. Maar hij voegt er ook dit aan toe: “[…] what jazz needs even more is champions who describe and celebrate its dynamism, its experiments, its youth, and its undying and up-to-the-minute pulse.” Om de muziek een toekomst te geven en ervoor te zorgen dat er een publiek voor blijft bestaan, kan je de muziek niet benaderen vanuit conservatieve hoek, want dan ben je gedoemd om onder een laag stof te belanden en een programma aan te bieden dat perfect beantwoord aan jazz als museumkunst. Maar als je naar een museum voor moderne kunst gaat, dan verwacht je toch niet dat het ophoudt bij Matisse? De wonderbaarlijke variatie van hedendaagse jazz verdient beter dan dat. Er is een publiek voor, maar het moet er beter voor warm gemaakt worden.

Traditie moet niet genegeerd worden. Grondleggers en iconen verdienen hun plaats op de affiche, zeker als ze naarstig op zoek gaan naar nieuwe vormen van expressie (ook al loopt het dan fout), net zoals degenen die de traditie van binnenuit vernieuwen (ook dat kregen we te horen, zelfs van een debuterende band) of de jonge garde die resoluut gaat voor een eigen geluid. Sommige minder getrainde luisteraars of nostalgische oren haken misschien af (al heb je misschien een zaadje geplant), maar anderen worden aangenaam verrast door een geluid dat ze nooit eerder hoorden (dat gebeurde om 12.30u op de slotdag).

Een meer letterlijke verandering van deze editie was de nieuwe Club Stage, die elke dag werd gevuld met nieuwe artiesten, die vier unieke sets in elkaar metselden, vaak met wisselende bezettingen. We zagen een groot deel van die sets en waren geen enkele keer teleurgesteld: altijd boeiend, soms heel erg straf. OK, een paar keer best taai, dat ook, maar net zo vaak goed om lange blijvers met fonkelende ogen de nacht in te sturen. De Amerikaanse rietblazer en componist Ken Vandermark wees me er ooit op hoe ridicuul het is dat ‘jazz’ voortdurend in vraag gesteld wordt, zelfs door beoefenaars, en dat er binnen geen enkel genre zo veel gejammerd wordt over wat nu wel of niet echt is en tot het genre behoort. Te gek voor woorden. Tijd om daar komaf mee te maken en de muziek in z’n vele waardevolle verschijningsvormen te omarmen. Enfin, de verslagen dus.

Donderdag 14 augustus

Meteen een pak volk op het podium bij big band MikMâäk, dat een forse uitbreiding is van de voortdurend van gedaante en bezetting wisselende moederband van o.m. Jeroen Van Herzeele en Laurent Blondiau, en intussen ook Guillaume Orti tot de stuurlui mag rekenen. Met zomaar even een dozijn blazers was een forse geluidsmuur al een zekerheid, al liet die even op zich wachten. Tenorman Van Herzeele bracht de eerste compositie in z’n eentje op gang, maar werd snel vergezeld door z’n collega’s. Goed volk trouwens, met zowel wat oude(re) bekenden (Michel Massot, Bart Maris, Bo Van der Werf) als vertegenwoordigers van de jonge generatie (Niels Van Heertum, Jean Paul Estiévenart,…) in de rangen. Ze verenigden de krachten met souplesse in een opener die ondanks z’n wat statische karakter het beste deed vermoeden.

De verwachtingen werden grotendeels ingelost, want de band baande zich een vaart doorheen een reeks composities (die telkens door een ander lid geschreven werden) die het maximale platform boden aan de rijke klankkleur en diversiteit aan sfeer en dynamiek. Zo werd dat laatste aardig opgepikt met vet pompende secties die hier en daar zelfs herinnerden aan de ronkende soundtracks van David Shire uit de jaren zeventig, maar waarin ook wat knappe, vrije passages ingelast werden. Orti’s “Etoile de Brume Suspendue”, een loom stuk waarvan de aanzet even naar klassiek vaarwater neigde, leek deel uit te maken van een suite, terwijl Van Heertums “Estuarium” erg knap openbloeide met een wentelend drama, om vervolgens om te slaan in een broeierig stuk van Blondiau.

De muziek was bij momenten woelig en verkende een sensueel en breed muzikaal landschap dat inspiratie opdeed bij een traditie van avant-gardebands zonder daarom zelf over te hellen naar het experiment. Hier en daar kreeg je het gevoel dat het allemaal nog iets meer baldadigheid en pit zou mogen gehad hebben, maar het was niettemin een prima festivalopener. De eerste band van de dag, nochtans een weinig geliefde positie, zou nog veel moois opleveren.

Nadat Tigran Hamasyan in 2013 de eerste artist in residence was, een taak waar hij zich van kweet met nogal ongelijke resultaten, was die eer nu weggelegd voor pianist Vijay Iyer, vermoedelijk een van de meest bejubelde pianisten van zijn generatie. Hier en daar hoorde je spreken over een aanstormend talent of pijlsnelle evolutie, maar dan zou je voorbijgaan aan een carrière die intussen al twintig jaar omspant en zeker sinds Panoptic Modes (2001) stevig in het zadel zit. Dat is dertien jaar, langer dan John Coltrane nog te leven had toen hij in 1955 werd ingelijfd door Miles Davis. In die tijd, maar vooral in de laatste vijf jaar, heeft Iyer een indrukwekkende variëteit aan projecten gestuurd, waarvan hij er nu drie zeer uiteenlopende liet horen. Het eerste was zijn Sextet, dat intussen al een paar jaar bestaat, maar nog geen releases op z’n naam heeft. Dat wordt op basis van dit concert dan hoog tijd.

Samen met saxofonisten Steve Lehman en Mark Shim, kornettist Graham Haynes, bassist Harish Raghavan (eerder ook al te horen met o.m. Ambrose Akinmusire) en de geweldige drummer Tyshawn Sorey, liet de leider een hecht collectief horen dat zich voortdurend leek op te houden op de dunne scheidingslijn tussen avant-garde en traditie. Er werd geduldig teruggegrepen naar de jazz van de jaren zestig die volgde op de hardbop en stilaan het spelen met strakke structuren en ingrediënten achter zich liet. Het ene moment hoorde je composities die zo zouden gepast hebben op Blue Note-releases van Jackie McLean of Sam Rivers, maar even later was het de Miles Davis van Jack Johnson.

Stuiterende ritmes doorbraken mantra-achtige bewegingen, een potige rockvibe werd samengehouden door Soreys metronoomstrakke snare drum en er werd bevlogen gespeeld rond een rode draad die alleen de muzikanten steeds binnen handbereik hadden. Zowel Shim als Lehman, die met zijn eigen muziek soms zo secuur speelt dat het haast klinkt als gevorderde wiskunde, klonken virtuoos en energiek, terwijl ook Haynes uitgebreid kon schitterend als de meest verrassende en melodieus spelende muzikant van het ensemble. Het was vaak erg complexe en drukke muziek, maar de band durfde plots ook uithalen met naar hiphop neigende ritmes of een versnelling hoger schakelen. En dan nog eentje.

Mooist van al was echter hoe Iyer dit geheel mooi in evenwicht hield. Dat deed hij door nu en dan een stapje terug te zetten of de muziek te laten uiteenvallen in kleinere deelfracties, waarbij de bal heen en weer gekaatst werd tussen de blazers. Soms op het randje van funky of even breekbaar, maar net zo vaak energiek, bijna strijdlustig. Een uitstekende eerste beurt voor de minzaam glimlachende pianist.

Dan is trompettist Dave Douglas toch een heel ander soort van bandleider. Duidelijker degene die het voortouw neemt, de rollen verdeelt en zelf een stap naar voren durft zetten om de aandacht op te eisen. Nochtans is zijn oeuvre op een andere manier minstens even indrukwekkend (en nog een pak uitgebreider), dan dat van Iyer. Douglas is ook een muzikant die voortdurend op zoek is naar nieuwe projecten en bezettingen. Een paar jaar geleden stond hij nog in Gent met een Quintet met daarin Joe Lovano en Joey Baron. Die band speelde een concert dat de verwachtingen moeiteloos inloste. Met dit vijftal was het resultaat toch wat minder indrukwekkend. Je moet natuurlijk ook van goeden huize komen om een klepper als Baron op te volgen, al is Rudy Royston zeker een aanwinst voor de band.

Bassiste Linda Oh en pianist Matt Mitchell speelden er nog altijd bij en zorgden voor solide spel. Dat was iets minder het geval voor tenorsaxofonist Jon Irabagon. Of misschien anders: we kennen die vooral als een zeer getalenteerde joker in het machtige kwartet Mostly Other People Do The Killing, met wie hij de meest geschifte stunten kan uitvoeren. Ook op eigen werk (zoals de 78 minuten durende, ononderbroken improvisatie van Foxy) laat hij horen dat er amper maat staat op zijn vermogens als improvisator. Onvermoeibaar, zowel thuis in het blues- als het free idioom en zelfs een meer dan gemiddelde showman. Nu bleef hij hangen in een zeer functionele rol, waar de scherpe kantjes van bijgevijld werden. Ja, misschien probeerde hij wel iets meer in de lijn van een Lovano te spelen; robuust zonder al dat gedoe, elegant rokerig zonder Douglas in de weg te lopen.

En dat was net het probleem: je hoorde knappe passages, er was een fijne en hechte interactie tussen de blazers, Douglas speelde een paar prima solo’s en sprong zelfs een keer op en neer, maar de sprankeling liet het afweten, waardoor de tekortkomingen en verplichte nummertjes (drumsolo, lang uitgestelde climax) er uiteindelijk voor zorgden dat Douglas & co. zelden écht wisten te raken of amuseren. En dat is niet genoeg voor een band van dit kaliber.

En dan: Herbie Goes Bananas. Met het duo Herbie Hancock & Wayne Shorter had de organisatie een paar van de grootste, nog levende jazziconen weten te strikken. Beide muzikanten hebben dan ook een legendarische status die helemaal verdiend is. Ze maakten deel uit van het legendarische Second Quintet van Miles Davis, een band waar de laatste jaren steeds vaker naar verwezen wordt (terwijl het daarvoor doorgaans de Kind Of Blue-band was), maar bouwden ook op eigen houtje invloedrijke carrières uit met heel wat hoogtepunten. Hancocks Maiden Voyage is deel gaan uitmaken van de kerncollecties van de jazz, maar de drie Mwandishi-albums (Mwandishi, Crossings en Sextant) waren begin jaren zeventig van het meest avontuurlijke dat te vinden was. En dan zwijgen we nog van ’s mans vroege gebruik van elektronica. Oké, dat klonk niet altijd even koosjer, maar dat nam je erbij. En Shorter, die speelde de voorbije jaren een paar erg gesmaakte concerten in Gent en Antwerpen met zijn fenomenale Quartet.

De verwachtingen waren op z’n zachtst gezegd hooggespannen, de resultaten behoorlijk controversieel, want je kreeg achteraf verrassend uiteenlopende reacties te horen. Een feit waar je niet omheen kon: het duo kwam niet om makkelijk te scoren. Dus: geen “Maiden Voyage” of “Cantaloupe Island”, geen Shorter-klassiekers uit de Davis-periode. Integendeel: de twee kozen resoluut voor musiceren op het scherp van de snee, without a net, zoals dat heet op Shorters recentste album. Dat brengt een risico met zich mee, maar met een beetje geluk is dat als toekijken hoe Philippe Petit over een koord tussen de Twin Towers glijdt. Dat was helaas niet het geval. Dit was een uitdaging die vol vertrouwen werd aangevat, maar zelden echt klikte. Hoe het wel klonk? Gefragmenteerd, psychedelisch, maar aanvankelijk ook nogal stuntelig.

Hoe Herbie Hancock aan het begin over z’n synthesizer gebogen zat en met de knopjes speelde, het was een beetje alsof iemand met z’n settings had zitten prutsen en de man een beetje aangeschoten de schade kwam vaststellen. Een keertje hier duwen – synthetische golf – en dan eens daar – schrikken van een lelijk geluid – en vier keer binnen een minuut een andere klank proberen. Hancock bleef er onbewogen en sereen onder, zat er zelfs bij met een raadselachtige glimlach om de lippen, alsof hij genoot van wat binnenpretjes, terwijl Shorter diep in gedachten verzonken leek en hier en daar een stuurs of schril accent plaatste met zijn sopraansax. Het had eigenlijk iets van Miles, die soms ruimte liet aan z’n muzikanten om dan met een abrupte uithaal te laten horen dat hij er ook nog was.

Avontuurlijk was het zeker, maar de gedateerde synthklank en plots opduikende bombast had eigenlijk ook iets van een experiment van gekke professoren dat een beetje uit de hand gelopen was. Ineens leek het beter te lukken, toen een gestaag ritme als fond onder een piano-improvisatie dienst deed. Er kwam een continuïteit in de set en het leek wel alsof het duo daarna besloot om het geprikkel te laten voor wat het was. Het samenspel werd coherenter en conventioneler, hier en daar zelfs best intiem, maar het kwam nooit tot een symbiose die je wel te horen krijgt als Shorter er staat met z’n kwartet. Improvisatie (al zaten er ook referenties naar ouder werk in) brengt natuurlijk risico’s met zich mee en om te kunnen slagen moet je soms ook eens mislukken, maar dit volstond niet. Raar, dat wel. Goed is nog iets anders.

Club Stage

Wie op zoek was naar uitdagende avant-garde die wél steek hield, kon daarvoor terecht bij het podium van de Club Stage, die de hele dag werd ingepalmd door Teun Verbruggen en zijn Bureau Of Atomic Tourism. De band is sinds hij opgericht werd tijdens het Follow The Sound Festival van 2011 een internationaal sextet van zwaargewichten, met Teun Verbruggen (drums, elektronica), Jozef Dumoulin (Fender Rhodes, elektronica), Andrew D’Angelo (altsax, basklarinet) en Nate Wooley (trompet) als vaste leden, plus gitarist Hilmar Jensson (die er bij is sinds de tour van dit voorjaar) en freejazzbassist Ingebrigt Håker Flaten, die voor dit concert één repetitie met de band had, maar niettemin indruk maakte. Op albums Second Law Of Thermodynamics en Spinning Jenny gebeurde dat ook en dat werd nog eens bevestigd door de concerten. Benieuwd of de mayonaise ook zou pakken op Jazz Middelheim.

De eerste van vier sets was voor Jozef Dumoulin. Die bracht niet zo lang geleden nog A Fender Rhodes Solo uit, wat de eerste soloplaat op dat instrument zou zijn. Nu ja, Dumoulin doet wel niet aan goedkope gimmicks, maar er zijn natuurlijk wel nog de talloze pedaaltjes en effecten waar hij zich live van bedient. Dat maakte er evenwel geen minder indrukwekkend spektakel van, want hij bracht een set die uitblonk in coherentie, ook al was het even zoeken naar houvast. Het vertrok allemaal erg genuanceerd, met klankgolven waarin eigenlijk geen Rhodes te herkennen viel. Door en door hedendaags klonk het wel, hier en daar als knisperende ambient, aanleunend bij de drones en soms zelfs op het terrein van een Thomas Köner.

Gaandeweg kreeg de set meer volume en reliëf, ging het voortdurende gedraai en bijsturen zich ook vertalen in nadrukkelijker klankenspel. Statische ruis, elektronisch geknetter en gekraak, zoemende tonen die oplosten in een troebel klankbad, ze passeerden allemaal. Heel wat bezoekers slopen naar buiten met een zweem van paniek in de ogen, maar wie bleef werd getrakteerd op een inventieve set die zich een weg baande langs eenzaam telegramgepiep, spacey gehuil en semi-industriële bricolage. Of het jazz was, daar kon over gediscussieerd worden, en maar goed ook. Om te weten wat binnen de lijntjes past moet je soms ook erbuiten durven stappen. Straf.

Daarna was de duoset van D’Angelo en Jensson een verrassing van formaat. De Amerikaan staat immers bekend als een niet te temmen vat vol energie, maar deze keer liet hij een meer fragiele, melancholische kant horen. Op altsax speelde hij lyrisch en puur, zeer melodieus, met een pastorale inslag, als een geluidsband bij een camera die over een koude vlakte glijdt. Jensson bleef aanvankelijk op de achtergrond, in de weer met een zacht jankende strijkstok. D’Angelo was intussen echter begonnen aan een emotioneel direct parcours, ging steeds hoger, intenser en schriller blazen, maakte gebruik van de (al even indringende) basklarinet, belandde op altsax in de zone tussen Zorn en Sakata, en ging zelfs even de zijkant van het podium opzoeken. De overblowing werd ronduit furieus en zorgde samen met de krakende gitaareffecten voor een regelrechte stomp in de maag. Amper een half uurtje, maar met de impact van een langgerekt epos.

De derde set was voor het vrij improviserende, akoestische kwartet Wooley, Dumoulin, Håker Flaten en Verbruggen. De bassist maakte snel duidelijk wat zijn achtergrond is (hij is o.m. het anker van het fabuleuze power trio The Thing, met andere Scandinavische geweldenaars Paal Nilssen-Love en Mats Gustafsson) door heftig aan de snaren te trekken, maar de rollende beweging van de vier kreeg ook snel een consistentie. Wooley haalde die droneklanken uit de trompet, Dumoulin dook in de piano om de klanken te vervormen en met Verbruggen kwam het kwartet redelijk snel aan de kook. Er passeerden een paar bijzondere momenten, met dwarrelend pianospel en een wringende solo van Wooley, maar ook collectief werd er geklikt, want een goed gecamoufleerde groove leidde naar samenspel dat vanzelfsprekend en erg muzikaal rond elkaar wentelde. Een kort tweede stuk was bruusker en rauwer, met abrupte effecten en zware klankgolven die het voerden naar het terrein van de mechanische drones.

De slotset was een volwaardig concert dat verwant was aan het zaalconcert dat het sextet eerder dit jaar liet horen. Het was een performance met een enorm bereik, van funkachtige grooves tot bronstige rockuitvallen en uit elkaar vallende chaospassages. De blazers draaiden rond elkaar, Dumoulin diepte schreeuwende klanken uit de Rhodes, terwijl zijn “Carolientje en haar bootje” een merkwaardig kronkelende compositie was. Jazz voor de moderne man, nu eens dromerig en dreigend (“Ron Miles”), soms formeel erg tegendraads, zoals in D’Angelo’s start/stop-spelletje “Numerology”, of ronduit vuurspuwend (“Meg Nem Sa”). Een dag ver en de meerwaarde van dat kleine podium was al bewezen.

Vrijdag 15 augustus

Alsof het puike concert van MikMâäk een dag eerder nog niet volstond, besloot het Bruno Vansina Orchestra om er nog een schep bovenop te doen op vrijdagnamiddag. De big band is opgebouwd rond Vansina’s kwintet met daarin pianist Christian Mendoza, gitarist Bert Cools, bassist Stefan Lievestro en drummer Teun Verbruggen (dit festival in zo’n goede doen dat hij door Marc Van den Hoof prompt omgedoopt werd tot Steun Verbruggen). Het knappe was dat de band niet alleen aangevuld werd met traditioneel blaasmateriaal als trompetten, trombones, klarinetten en saxen, maar ook tuba, hoorn, fluiten, hobo en zelfs fagot. Dat leidde tot een ontzettend weelderige sound, een muzikaal kleurboek dat bovendien met een indrukwekkende gelaagdheid uit de doeken gedaan werd.

Dat deze performance het debuut was van deze band, maakte het zo mogelijk nog indrukwekkender, want de muzikanten schudden de composities en solo-improvisaties met verbluffend gemak uit de mouwen. Van de statige opener “Dark Night”, waarin het even leek alsof de gemeenschappelijke zone tussen het Liberation Music Orchestra en het Brussels Jazz Orchestra werd opgezocht, tot het steviger uithalende “Ploink” (wulps en voluptueus, maar nergens corpulent) en het veelzijdige titelnummer van het pas verschenen Morning Forest aka Nose Up Bottom Down: het bleef een onophoudelijk komen en gaan van ideeën, kleurschakeringen en solisten. Nu eens met toegankelijk meeslepende John Barry-vibe, en dan weer met subtiele bossa-toetsen of wat troebeler, op het impressionistische af. Gil Evans meets Kenton.

Opnieuw ook een hele resem knappe stemmen aan het woord, waarvan sommige kwamen plaatsnemen op de voorste rij: Jean Paul Estiévenart, Carlo Nardozza, Dree Peremans (samen met Vansina ook verantwoordelijk voor de arrangementen), John Ruocco, Bert Cools, etc. Allemaal drukten ze uitvoerig en soms ook uitgelaten hun stempel op een concert dat het allemaal in huis leek te hebben: prikkelende accenten, lome baslijnen, scheurende saxen, stampende ritmes, spannende climaxwerking. Het was muziek die je op het puntje van de stoel hield tot het allerlaatste moment. Die je plots zelfs deed beseffen dat je de adem veel te lang had zitten inhouden bij een zoveelste knappe afronding. Dat het spelplezier er zichtbaar van afspatte, niet in het minst bij woelige motor Verbruggen, die front & center zat, maakte het helemaal af. 16u45, en het muzikale hoogtepunt van de dag zat er al op.

Het Deens-Britse trio Phronesis is intussen ook al enkele jaren een graag geziene gast in België, met recente(re) passages in Genk (het jammerlijk ter ziele gegane C-Mine Jazz), Gent Jazz (waarmee Middelheim wel vaker een haasje-over speelt) en de Handelsbeurs, waar het trio langsging voor een van zijn concerten in het duister. In de loop der jaren kon je dit trio van Jasper Høiby (bas), Ivo Neame (piano) en Anton Eger (drums) dan ook zien uitgroeien tot een ongemeen goed op elkaar ingespeelde eenheid die stilaan naar de toprang van de pianotrio’s gekatapulteerd wordt. Aanvankelijk viel daar ook iets voor te zeggen: het stel nam een vliegende start die volop inzette op turbulent samenspel: energiek en virtuoos, met behoorlijk meeslepende resultaten. Een (h)echte democratie waarbij geen van de drie muzikanten genoegen nam met een dienende rol. Het was de vrije democratie van de freejazz, maar dan gegoten in hypercomplexe composities waar soms moeilijk vat op te krijgen was.

En toch. Hoewel de band een paar jaar geleden nog voor een indringende kennismaking zorgde, bleef de echte impact nu achterwege. Mooi om te horen hoe Høiby’s basspel zo bepalend was voor een compositie als “Song For Lost Nomads” en al helemaal straf om een stuk als “Behind Bars” geduldig te horen openbloeien met ratelende, cyclische drumpatronen en versnipperde pianopassages, maar je bleef ergens voortdurend op je honger zitten. De muziek draait vaak rond eenvoudige ideeën, het is niet de overdaad die schaadt, en er wordt soms muzikaal gedanst, dus het is ook niet te stug. Misschien is het gewoonweg een gebrek aan humor en passie die onder de huid kruipt, want het concert van Phronesis gleed, stuiterde, fleemde en danste voorbij op een manier waar je wel respect voor kon hebben, maar die je daarom nog niet aan het hart drukte. Dat was een paar uur later wel anders op de Club Stage.

Natuurlijk mocht er geen vocalist(e) op het appel ontbreken, en die eer was deze keer weggelegd voor Stacey Kent. De Amerikaanse heeft na jaren rondhangen in de speelzone van de standards haar koers gewijzigd en liet op haar meest recente album The Changing Lights een sound horen die geënt was op de betere slaapkamer- en zomerterrasmuziek van Getz & Gilberto, Jobim & co. Kents stem is een beetje old school en verrassend vrij van franjes, misschien zelfs wat neutraal. Helaas was dat meteen ook het pijnpunt van het concert: je kreeg een performance te zien die “MIDDELMAAT” schreeuwde. Niet dat de band daarom slecht speelde, of dat Kent geen toon kon houden. Neen, dit was compleet volgens de regels van het spel, maar dan ook alleen dat. Alsof een stel wereldvreemde genieën een concert gingen spelen op basis van gevonden bladmuziek en foto’s. Zonder ooit een concert of album gehoord te hebben.

Kent was best een leuke verschijning: bescheiden, goedgeluimd, met hier en daar een sympathiek woordje uitleg en komiek heen-en-weer waggelend over het podium, teksten zingend en kirrend in het Portugees, Engels en Frans. Ook schattig, voor wie daar oog voor heeft: ze smolt weg bij de aanblik van haar echtgenoot, producer en saxofonist Jim Tomlinson. En dat terwijl die de ene na de andere nietszeggende – of nee neutrale - notenreeks uit de sax blies. “Waiter, Oh, Waiter” (nochtans met tekst van Kazuo Ishiguro), “So Nice”, “One Note Samba”: ze werden allemaal uitgevoerd door een band die een podiumbreed hologram had kunnen zijn. Of hoe de tent plots omgevormd werd tot een praatcafé dat nog gelooft in het bestaansrecht van Bacardi & coke bij kaarslicht. Meh.

De druk bijgewoonde Toots-evenementen buiten beschouwing gelaten, is er de laatste jaren vermoedelijk geen enkele muzikant geweest die het Middelheimpubliek zo goed wist te bespelen als Avishai Cohen. Toen die er twee jaar geleden stond met zijn trio was dat niet minder dan een triomf, waarbij de ene helft van het publiek om ter luidst juichte en floot bij elke solo, wending en climaxwerking, en de andere helft zichzelf in de arm kneep bij zoveel genialiteit. Alle ironie op een stokje: het was ook best indrukwekkend. Die Cohen kan spelen en die occasionele patserigheid wil je ‘m best vergeven. Dit concert werd aangekondigd als Avishai Cohen Trio With Strings. Het trio, met deze keer de nieuwe (en uitstekende) pianist Nitai Hershkovits, werd bijgestaan door een strijkkwartet.

Het begon vrij intimistisch, met knap gedoseerd spel van de strijkers, die ver uit de buurt van het gesuikerde melodrama bleven, terwijl Cohen meteen al uitpakte met een bevlogen solo en drummer Daniel Dor danste over zijn cimbalen. In “Puncha Puncha” liet de leider voor het eerst zijn stem horen, maar het zou niet de laatste keer zijn. Cohen is geen vocalist als Kent, daarvoor zong hij net niet toonvast genoeg, maar het getuigde van inleving en ging vrij goed samen met de statige, soms zelfs majestueuze muziek. Vanaf dan leek het wel alsof de muzikanten een muzikale wereldreis maakten, met composities van het Russische Rode Leger (“On A Black Horse”), met Israelische roots of straight from the USA, zoals de weelderige versie van Thad Jones’ standard “A Child Is Born”. Hier en daar had het nog maar weinig uitstaans meer met traditionele jazz, neigde het meer naar de sfeer van die ene cd van Buena Vista Social Club (u hebt 'm ook), of een prima klezmercompilatie, maar het ging er verrassend goed in.

Hoogtepunt was misschien wel “Morenika”, de prachtige opener van zijn populaire album Aurora en ook nu een delicaat brokje schoonheid tussen Sefardische weemoed en de Portugese fado. De staande ovatie leek een evidentie. Het was dan ook jammer dat Cohen het na een goed uur voor bekeken hield en de tijd rijp achtte voor een partijtje publiek lijmen op niveau. De solostukken in de bisronde waren zeker straf, en de resterende, virtuoze stukken met het trio waren dat nog meer, maar ze hadden geen uitstaans met het voorgaande concert en smaakten net iets te veel naar cynisme en voorgeprogrammeerde kost. Of hoe improvisatie toch erg voorspelbaar kan worden. Niet dat het publiek bezwaren liet horen, het liet het zich welgevallen met een overdonderende eensgezindheid.

Club Stage

Nog nooit van gehoord: het Franse pianotalent Thomas Enhco, die ook vier sets mocht vullen. De eerste was solo, de tweede met marimbaspeelster Vassilena Serafimova en de resterende twee als trio met bassist Jérémy Bruyère en drummer Nicolas Charlier. We pikten de eerste en laatste set mee. Solo liet Enhco vooral zijn talent als melodieus improvisator en uitvoerder van standards horen. Zijn spel was gepolijst, haast poppy en impressionistisch tegelijk, met een stabiele linkerhand en een rechter die voor de nodige frivoliteiten zorgde. Zijn versie van “It Ain’t Necessarily So” had dicht bij de New Orleans blues gelegen, terwijl de titelloze eigen nummers suggereerden dat hij weleens een hartenbreker onder de jonge pianisten zou kunnen worden.

Daaruit besluiten dat Enhco alleen een man van het sentiment is, zou echter een grove fout zijn, zoals zou blijken uit de straffe trioset aan het einde van de avond. We kregen immers muzikanten te horen die zichtbaar genoten en niet zomaar muziek speelden, maar ook gingen spelen met muziek. Drummer Charlier ratelde er op los, bewees een meester op de cimbalen te zijn, maar pakte ook uit met abrupte struikelende ritmes en een energie en lichte anarchie die van heel ver een beetje herinnerde aan Bennink. Bruyère pakte dan weer uit met vlugge loopjes, diep ronkende grooves en knappe harmonieën.

Al in het eerste stuk, een bewerking van “Arabesque Op. 18” van Robert Schumann ging Enhco omhoog wippen en daarna was het een veelzijdig visitekaartje dat bijzonder goed onthaald werd en het trio voerde langs gevoelige sferen (“You’re Just A Ghost”) en funky broeierigheid (“The Outlaw”, met een knappe, repetitieve spanning). In de bissen werd het trio vergezeld door Serafimova, wiens spel als het ontbrekende puzzelstukje paste in deze lekker rondmalende molen. Kortom: de jongelingen lieten een hartveroverend concert horen dat van de Club Stage nogmaals een fijne plek om te vertoeven maakte. Dit maakte meer indruk dan Phronesis, maar wisten wij toen veel (alhoewel…) dat de bom nog moest barsten op die plaats.

Zaterdag 16 augustus

Het is intussen al een paar jaar een traditie dat studenten van het Koninklijke Conservatorium van Antwerpen de dagen in de aanloop naar het festival samenwerken met een internationale klepper, die de rol van coach op zich neemt. In het verleden waren dat o.m. Peter Evans, Dave Douglas en Greg Cohen, en meer dan eens leverde dat behoorlijk knappe resultaten op. Coach van dienst was deze keer bassist Jasper Høiby, die er een paar intensieve, maar vermoeiende dagen op had zitten. Klonk best geloofwaardig, want hij was intussen al de naam van één van de drie muzikanten vergeten. In ieder geval: met de jonge twintigers – saxofonist Matthias Van den Brande, pianist Laurens Dierickx en drummer Tom Lambrecht, samen Aletheia feat. Jasper Høiby - werd muziek gemaakt die eigenlijk niet veel uitstaans had met een luie zaterdagnamiddag.

Het ging immers behoorlijk traag en donker van start met Don Cherry’s “Desireless”, waarbij de kabbelende tenorserenade op zacht rommelende drumklanken en gestreken bas voortbewoog. Een compositie die kon ademen en het concert gestaag op gang bracht. Daarna werd het tempo wat opgekrikt en begon de slalombeweging tussen melodieuze passages met vloeiende solo’s en composities die eerder in de trage, in zichzelf gekeerde hoek te situeren waren. Er werd gespeeld met covers, eigen werk en materiaal van Høiby, waarbij een eigen nummer (“The Middle Way”) zich ontpopte tot het hoogtepunt. De band speelde zelfverzekerd en best wel goed, maar een set van vijf kwartier was voorlopig wat te lang om de aandacht vast te houden. Misschien had dit (nog) beter gewerkt op de intieme(re) Club Stage.

Vervolgens een mondvol: Vijay Iyer & Mike Ladd – ‘Holding It Down: The Veterans’s Dreams Project’. We hebben in het verleden al ons beklag gedaan over het feit dat er dezer dagen zo weinig aan politieke agitatie gedaan wordt binnen de jazz. Dat er zo weinig rumoer te horen valt. Dat creatieve voldoening zowat het hoogste goed geworden is en meer geëngageerde bekommernissen vaak naar het achterplan geschoven zijn. Spijtig, zeker voor een genre dat onlosmakelijk verbonden is met o.m. scharniermomenten uit de burgerrechtenbeweging en ook binnen de Europese vleugel van de vrije muziek een politieke dimensie had die niet te negeren viel. Kregen we daar even lik op stuk van Iyer, die samen met vijf zangers/dichters en een paar extra muzikanten – gitarist Liberty Ellman, celliste Okkyung Lee en drummer Tyshawn Sorey – een uitvoering bracht van zijn gelijknamige album.

Het opzet daarvan is behoorlijk origineel en gebaseerd op getuigenissen en dromen van veteranen van recente oorlogen waar de Verenigde Staten bij betrokken was. Twee van de vocalisten – Lynn Hill en Maurice Decaul – waren bovendien ex-militairen en bezorgden de performance een extra dosis geloofwaardigheid en intensiteit. Dat ze eigenlijk geen getrainde muzikanten waren, viel nu en dan wel op (door aarzelingen of een haperend ritme), maar deed geen afbreuk aan de indringende, soms zelfs pakkende performance. Muziek en woord gleden samen in een tumultueuze narratieve trance, waarbij slam poetry, moderne elektronica, hiphop, R&B-ritmes en gemuteerde jazz belandden in een cocktail die soms uitgebeend werd tot op het bot, maar net zo goed dreigend kon uithalen, met versmachtende, vol effecten gestouwde passages die recht naar de keel grepen.

De teksten sudderden in muzikale onrust, parlando verhalen over oorlogstrauma’s en het verlies van identiteit, kregen een air van woordenfusillades die herinnerden aan het geagiteerde werk van een Saul Williams. Gebroken ritmes en uiteengerukte melodieën vertelden over fysieke en mentale verwondingen, littekens kregen vorm via collectieve voordracht, vraag & antwoord uitwisselingen en collectieve nachtmerries. Heftige mantra’s en emotionele kopstoten kwamen samen in een moedig concert dat hedendaagse muziek en politieke actualiteit op prangende wijze samenbracht, waarbij elk lid van de band een belangrijke schakel kon zijn. Het publiek liet het massaal afweten – was het te confronterend, te moeilijk of gewoonweg de zon die vanachter de wolken kwam? – maar de blijvers reageerden gepast (en terecht) met een staande ovatie. We zijn die ene, als een verwensing gedeclameerde zin “I’ve been talking in my sleep again” nog altijd niet vergeten.

Dan het eerste luik van wat dé Belgische avond zou worden: Jef Neve ‘Ten Years Of Trio’. Neve is intussen uitgegroeid tot niet zomaar een vaste waarde binnen de Belgische jazz, maar is er misschien wel het gezicht van geworden. En dat valt best te begrijpen: hij heeft een bruisende stijl die door een breed publiek gesmaakt kan worden, een Jommekesachtige guitigheid en heeft zich altijd laten ondersteunen door goed volk: nu nog altijd drummer Teun Verbruggen en sinds enige tijd bassist Ruben Samama. Wat Neve, die intussen al voor de vijfde keer op Middelheim stond, kwam doen, was dus eigenlijk een carrièreoverzicht brengen, of op z’n minst een aantal klassiekers uit zijn geliefde oeuvre. Daarbij werd soms ook de hulp ingeroepen van vier gastblazers.

In het verleden waren we niet altijd overtuigd van Neve’s aanpak, iets dat vermoedelijk vooral met subjectieve smaak te maken heeft, maar geen mens kon ontkennen dat het trio niet alles uit de kast haalde om voor een goed concert te zorgen. Het samenspel was inventief en kleurrijk (met Verbruggen alweer in een glansrol), Neve kon volop zijn evolutie als pianist uit de doeken doen, en er passeerden een paar kleppers die knetterden van de energie. Goed, Neve hengelt soms wel iets te veel naar de gunst van het publiek en vertelt al eens een anekdote die we intussen al van buiten kennen, maar die vastberadenheid en overgave, die valt niet te faken.

Het ratelende “Lament”, dramatische “The Space We Need” (met een hoofdrol voor de ritmesectie), en de ballade “Inner Peace”; ze riepen allemaal breedbeeldfantasieën op die wellustig kronkelden en tintelden, soms sereen, maar nog veel vaker wulps en een beetje barok zoals Neve dat graag doet. Het meezingmoment van “It’s Gone” was wat geforceerd, maar tongbreker/concertklepper “Nothing But A Casablanca Turtle Slideshow Dinner” (we kennen er die dat zo snel kunnen aframmelen als “eenkleinwitgesnedenentweeappelflappen”) was één lange climax. Het solo gebrachte bisnummer lichtte dan weer een tipje van de sluier op van de soloplaat die eraan komt.

Het slotconcert werd veelzeggend The Music Of Toots Thielemans genoemd. Niet dat alle muziek geschreven werd door de legende, maar het was wel muziek die hij graag speelde, al dan niet in het gezelschap van de opgetrommelde muzikanten, en dat waren er nogal wat. Zijn vaste backing band - pianist Karel Boehlee, bassist Hein van de Geyn en drummer Hans van Oosterhout – was natuurlijk van de partij, maar ook nog andere bekenden als pianisten Bert van de Brink, Kenny Werner en Eliane Elias, trompettist Bert Joris, gitarist Philippe Catherine, bassisten Bart Denolf en Marc Johnson en drummer Bruno Castelluccci. Goed volk dat zich een weg baande door het muzikale landschap dat Thielemans zo nauw aan het hart ligt: lyrisch en sentimenteel, soms wat zoet en hier en daar wat exotisch.

De foto’s die doorheen het hele concert geprojecteerd werden gaven het eigenlijk een haast morbide sfeer, maar kon de gemoedelijke sfeer nergens bederven. “Ballade Voor Damiaan”, muziek van Baantjer en een handvol andere composities werden uitgevoerd zonder al te veel te bruuskeren. Meest indrukwekkend was Bert Joris, altijd goed voor een lesje in stijlvolle subtiliteit, terwijl Werner dan weer zijn synth van stal gehaald had. Niet altijd een goede keuze. De finale volgde het klassieke stramien, met “Ne Me Quitte Pas”, “Bluesette” (met de hele bende) en, verrassing, het plotse verschijnen van Thielemans zelf, die er een punt achter zette met “What A Wonderful World” en een klein bonusje. Benieuwd wat de organisatie gaat moeten uitvinden om dit op te volgen.

Club Stage

Het programmeren van MannGold de Cobre op het hoofdpodium van 2015 is alleszins een optie, want de dertienkoppige jazzrocktrein kwam de Club Stage binnengestapt met een “We own this place”-attitude en voegde boudweg de daad bij het woord. In de namiddag gebeurde dat met twee sets in kleine bezetting. Eerst met twee gitaren, bas, drums en Korg (baritonsaxofonist Kwinten Mordijck), daarna ook met tweede drummer Tom Wouters erbij. De resultaten? Nu eens loom en repetitief, dan weer zinderend in dreigende oorden, als een verre verwant van Motorpsycho met gitaristen Philipp Weies en Rodrigo Fuentealba die rond elkaar verstrengelden als Weir en Garcia bij The Grateful Dead of Verlaine en Lloyd bij Television. De psychedelische boogie van “Ind”, een stuk dat we later nog eens zouden horen in een veel bronstiger versie, rondde de eerste set af met een knaller.

De tweede set, van het kwintet MannGold, zette nog sterker in op diversiteit, met een trage ballade die zowat hun eigen “Albatross” ging worden en bijzonder fijn klonk in combinatie met de protopunk die erop volgde. De derde set bracht de volledige band naar het podium en liet een lesje in het betere krachthonkwerk horen, met dreigende chaos, exotica, spetterende funk en een druk gesticulerende regisseur Peter Vermeersch, die de muziek bij momenten deed exploderen met start/stop-dynamiek. Er werd gelachen voor het podium, meedogenloos geknald op het podium. Het hoogtepunt werd echter bewaard voor het slotconcert, dat je gerust kon beschouwen als één lange climax.

Je moet het trouwens maar durven, prijsbeesten als “Fuzzhound” en “Wahnsinn” vooraan in je set vrijgeven. Dat doe je alleen als je beseft dat je nog een paar knoerten van troeven achter de hand houdt, want geholpen door een ronduit fantastische sound haalde de band uit met heftig ronkende blaaspartijen (en zinnelijk kronkelende en kokende solo’s van o.m. tenorsaxofonist Mattias De Craene, baritonknaller Peter Verdonck, trombonist Peter Delannoye, etc.), elektrisch geladen gitaarwerk en een rollende ritmesectie die maar bleef wentelen en draaien en grooven. Er zaten wel een paar rustmomenten verborgen in de set, maar wat het meest indruk maakte, waren natuurlijk de testosteronshots van “Stereo”, dat er stevig in hakte, een tweede, uit z’n voegen barstende versie van “Ind”, en “A Fistful Of Sauerkraut”, dat spastisch slingerde in de beste X-Legged Sally-traditie. Een loeiende versie van “FFWD” van die band was uiteindelijk ook het slotstuk van een overrompelende performance die gitaren en blazers samenbracht zoals dat misschien nooit eerder gebeurde in België. Een bom van een concert.

Zondag 17 augustus

Zondagmiddag, zo rond half één, gebeurde er iets bijzonders. Carate Urio Orchestra, een zevenkoppig ensemble onder leiding van Joachim Badenhorst, een rietblazer die op amper een kilometer van de festivalweide werd geboren en er ook opgroeide, speelde een concert dat velen nog lang zal heugen. Dat het opnieuw een concert was dat door sommigen niet meteen met ‘jazz’ geassocieerd zou worden, zal daar zeker voor iets tussen zitten. Nu ja, als Badenhorst er iets mee te maken heeft, weet de goede verstaander intussen ook dat best de oren gespitst worden, want die heeft recent wel vaker van zich laten horen met fascinerende en zeer persoonlijke muziek die getuigt van een unieke visie binnen de Belgische (en internationale) geïmproviseerde muziek. Een knap onderdeel daarvan is deze band, die hiervoor nog maar zelden te zien was in de volledige, internationale bezetting.

Daarin herken je bassist Pascal Niggenkemper en violist Frantz Loriot (samen met Badenhorst in Baloni), maar ook ander bekend volk als gitarist Nico Roig (Os Meus Shorts), Sean Carpio (drums, gitaar), bassist Brice Soniano en trompettist Eiríkur Orri Ólafsson. Voor het concert werd vooral geput uit het vorig jaar verschenen Sparrow Mountain, een album dat compositie en improvisatie in gelijke mate laat overvloeien, maar en passant ook de terreinen van de noise, folk, minimale muziek en postrock betreedt. En dat met sprekend gemak en tegelijkertijd toch een breekbaar, onaf randje. Een bekende noemde een eerder concert ‘wankel’, maar zelfs als alles perfect gesmeerd loopt, kan je dat adjectief nog steeds gebruiken. Het samenspel getuigt immers voortdurend van organische inventiviteit, die het niet zozeer van technisch perfectie uitvoering als van intuïtie en empatisch samenspel moet hebben.

Weemoed en geweeklaag komen zo samen in een soort van kamermuziek die invloeden uit meerdere windstreken toelaat en speelt met opbouw en drama, soms blijft hangen in een pastorale droomwereld (“Genoeg gedronken”), maar ook uitpakt met gestage crescendo’s. Of neem nu “Germana”, deels gitaarballade (met zang van Roig) en deels stoet van lach en traan. Goed voor een krop in de keel die niet meer zou vertrekken. Er werd gespeeld met wrijvende en schurende klanken, met potten en strijkstokken, gezongen met stemmen die langs en op elkaar schoten, uitgelaten kreten en ritualistische offerandes. Of Badenhorst zelf, die er een machtig stuk op klarinet uit de mouw schudde dat uitblonk in veelzijdigheid, maar vooral verhalende zeggingskracht. De medley van “Laglio” en “Sparrow Mountain” passeerde via pruttelpassages en belandde uiteindelijk bij een climax die zelfs de stoerste hardliner klein kreeg.

Concerten met zo’n intiem en bescheiden karakter maak je doorgaans mee in kleinere clubs, maar dit was zo’n zeldzame keer dat je zelfs in het gezelschap van honderden anderen het gevoel had dat je getuige was van zo’n bijzonder, kleinschalig moment, waarbij stemmen en instrumenten voortdurend in een andere verhouding gingen staan, vol momenten van vreugde, tegendraadsheid en kameraadschap. Een gebeurtenis om te koesteren, voor de luisteraars en het festival. En hopelijk net zozeer voor de muzikanten, die later dit jaar een tournee gepland hebben. Wees erbij.

Alsof de voorbije twee concerten nog niet genoeg bewijs hadden geleverd van Vijay Iyers veelzijdigheid, ging het met deze derde verschijning alweer een heel andere kant op. Eerst speelde de man een korte soloset, die dan weer gevolgd werd door een uitvoering van ‘Mutations I-X’ met het Hermes Ensemble, een strijkkwartet dat gespecialiseerd is in het uitvoeren van moderne avant-garde. Het concert zou een verdeling volgen zoals op Iyers recent verschenen album Mutations, dat ook bestaat uit een sololuik en vervolgens de tien mutaties. In het sololuik is er ook een rol weggelegd voor een laptop, die vooral zacht geknisper en pulserende elektronica voortbrengt. De muziek voelt troebel en impressionistisch aan, ver verwijderd van de klassieke blues en roots van de jazz, terwijl het slotstuk veel geagiteerder klinkt, Iyer het volledige klavier benut en de noten laat denderen als gigantisch uitvergrote regendruppels.

Het ‘Mutations’-luik is helemaal anders en vormt een lange suite van tien stukken waarin telkens een nieuw idee wordt uitgewerkt en verkend. De ene keer is dat best toegankelijk, met minimalistische momenten, maar het is nog vaker een samengaan van grillige dynamiek en ‘vreemde’ elementen als schurende elektronica en semi-industriële klankgolven. Jazz is het alweer niet, maar de variatie tussen staccato gekerf, getokkel op de klankkasten van de instrumenten en obsessieve herhalingen zorgen ervoor dat het een ervaring is die zo zoveel gedaanten vertoont dat verveling er nooit in zit. Toch niet voor deze oren.

Met het duoconcert van Enrico Rava & Stefano Bollani had Jazz Middelheim zowat de top van de Italiaanse jazz in huis gehaald. En zo klonk die muziek dan ook. Rava was een jaar of twintig geleden de ontdekker van Bollani, een muzikant die sindsdien een enorme reputatie bij elkaar speelde en een jaar of twee geleden nog zorgde voor een goed onthaald concert met Hamilton de Hollanda, dat snel erna op cd belandde. Dat concert was een bevlogen en zeer virtuoze bedoening, erg indrukwekkend, maar soms ook erg beladen, zelfs van het goede te veel. Deze dialoog zou een veel intimistischer karakter krijgen. Het had vaak immers iets van oude vrienden die samen herinneringen ophalen. De ene start, de tweede pikt in, wijdt uit, herhaalt, laat het woord weer aan zijn gesprekspartner, die zijn duit in het zakje doet, afrondt en vervolgens een nieuw verhaal afsteekt. Ongedwongen en spontaan.

Soms viel er wel een markant stilistisch verschil te horen tussen de twee: Rava is dezer dagen een trompettist die het vooral moet hebben van een eerder ingetogen stijl (heel wat anders dat het collectieve geschetter van het Globe Unity Orchestra, waar hij aan deelnam in de jaren zeventig), die maar weinig van z’n frisheid heeft verloren. Hij speelt soms teder, op een manier die verwant is aan die van Bert Joris bij ons, altijd elegant en met het geduld van een artiest die niks meer te bewijzen heeft. Bollani was dan weer onrustiger, kwieker en humoristisch. Hij voerde het samenspel meer dan eens langs de werelden van swing, stride en variété, met dartele melodieën als kleine miniatuurtjes, bouwend rond die ijzersterke linkerhand, eindeloos franjes creërend met die rechter. Klaar voor een dolgedraaid Italiaans Broadway.

Hoewel er wat onnozel gedaan werd, was het concert vrij van show en aanstellerij. Het was warm, zat vol knipogen, hoorde zo als soundtrack bij een film met Fernandel, springerig en plagerig als een typisch Italiaanse parlando. Weinig verrassend, maar wel amusant en genietbaar van voor tot achter. Dat kon niet gezegd worden van het slotconcert van deze editie.

Als we er onze notities van Jazz Middelheim 2010 nog eens op nalezen, dan kunnen we immers niet anders dan vaststellen dat Ahmad Jamal die show eigenlijk gewoon kwam herhalen. Krèk hetzelfde qua sound, stijl, aanpak. Goed, bassist James Cammack werd vervangen door Reginald Veal, maar heel erg veel zal het niet uitgemaakt hebben, want de hardkloppende Herlin Riley is eigenlijk de enige onmisbare schakel naast Jamal. De Belgische drummer Lander Gyselinck gaf na zijn verblijf in de Verenigde Staten nog mee dat de jazz er op allerlei manieren anders klinkt. Ideeën worden er sterker en nadrukkelijker in de verf gezet en het volume is er hoger. Zo’n Riley is zelfs in staat om een meer ingetogen boeltje aan flarden te rammen, maar bij Jamal zit hij eigenlijk op z’n plaats, want die is ook niet bepaald de meest genuanceerde pianist die je op een festival te horen krijgt. Het werd haast een protserige, oorverdovende Las Vegas extravaganza.

Was de man ooit nog een door velen verguisde cocktailpianist, die berucht werd door zijn gebruik van stilte en ruimte, dan is dat handelsmerk eigenlijk intact gebleven, maar dan wel met de bedenking dat er na een gewijde stilte steeds opnieuw unisono gehamer volgt en er van spanningsopbouw amper nog sprake is. Ballades, swingende stukken en standards krijgen stuk voor stuk een vergelijkbare behandeling. Laat de stiltes weg en het is een onophoudelijk machts- en krachtsvertoon. Alsof dat nog niet volstond, werden de volumeschuiven (net zoals bij het vorige concert) omhoog geschoven tot het ronduit onuitstaanbaar werd. Er moet één of andere clausule in Jamals contract staan die stipuleert dat hij de luidste moet zijn. Geen enkel ander concert kwam in de buurt. Zelfs meer dan twintig jaar concertbezoek kon niet voorkomen dat het gewoonweg pijn deed na een half uur. Hoe zat dat weer met dat compenseren? Dat Jamal op 84-jarige leeftijd nog altijd zo’n ritmisch krachtig gedonder kan voortbrengen is straf, maar de muzikale zeggingskracht was heel wat minder imponerend, waardoor het concert snel een vormeloze massa werd. Al was het publiek duidelijk wél overtuigd.

Zelfs met die afsluiter in mineur erbij (de Clubconcerten van Gorka Benítez moesten we helaas missen), kunnen we ons echter niet van de indruk ontdoen dat dit een bijzonder sterke Jazz Middelheim was, een editie die sterker dan de vorige jaren inzette op vernieuwing, experiment en risico, en z’n tweede adem herwonnen heeft. Het extra podium was bovendien een meerwaarde vanaf dag 1: niet alleen omdat het veelbelovende en/of spraakmakende artiesten de kans gaf om te meerdere facetten van hun muziek te laten horen, maar ook om eens te schitteren voor een potentieel publiek van ontdekkers. Hopelijk wordt dit elan meegenomen naar de editie van 2015. We kijken er naar uit.

E-mailadres Afdrukken
 
Jazz Middelheim 2014

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST