Banner

Kasabian

Velociraptor!

Maarten van Meer - 12 oktober 2011

Hoewel de verzamelde muziekpers zich graag vrolijk maakt over de karikaturale groep lads die Kasabian soms is, wist de band met zijn derde West Ryder Pauper Lunatic Asylum her en der al wat besmuikte lof te oogsten. Met Velociraptor! weten ze hun status als enige erfgenamen van de Britpop overtuigend te bevestigen.

Net zoals je hiphop-frank pas echt valt wanneer je in de VS een rap-battle ziet, snap je als niet-Brit Kasabian pas echt wanneer je op een vrijdagavond, in een volgepakte pub rond tien uur ‘s avonds “Club Foot” of “Fire” door een stoet dronken Britten hebt horen meelallen. De rauwe, niet al te subtiele en met de wansmaak flirtende energiebommen waar Kasabian in grossiert, zijn de perfecte soundtrack bij dronken zakenmensen die -- geholpen door een pint of zeven -- hun innerlijke hooligan loslaten en bronstig tegen elkaar op brallen.

Op het eerste gehoor lijdt Kasabian naar continentale normen dan ook onder een iets te hoge concentratie laddism, wat op dit album het meest opvalt op de wat lachwekkende titeltrack. “Velociraptor/ He gonna find ya/ He gonna kill ya/ He gonna eat ya”, spuwt Tom Meihan over Kasabians geüpdatete Madchester-sound. Het is -- zoals hun vorige singles -- bij de eerste beluistering vooral een beetje om te lachen, maar ook verrassend verslavend en meeslepend. Plots heb je twee beluisteringen verder met je tanden een Stella ontkurkt en hos je breed grijnzend mee, jezelf en het tapijt onder het bier morsend.

Ook “Days Are Forgotten”, “Switchblade Smiles” en “Re-Wired” borduren op evenmin subtiele wijze verder op het bekende Kasabian-patroon. Een van de rave geleende morsige beat (“Switchblade Smiles” heeft nogal dicht tegen The Shamen en The Fat of the Land van The Prodigy gelegen), een psychedelische of bluesy riff erover en een euforisch meebrulbaar refrein, geenszins gehinderd door diepzinnige teksten. Een vreemd genoeg behoorlijk unieke succesformule waarmee Kasabian als enige Britse band het geluid van The Stone Roses en Happy Mondays overtuigend weet te moderniseren. Een geluid dat hen ook tot zo’n fantastische liveband maakt, maar op cd mag het ook een beetje meer zijn.

Dat beetje meer hoorden we al op West Ryder Pauper Lunatic Asylum, maar krijgt nu pas echt alle ruimte, wat al bij openingstrack “Let’s Roll Just Like We Used To” opvalt. Over een warme basis retro-psychedelica (horen we daar een halve flard “Paint it Black”?) giet producer Dan The Automator een flinke scheut hiphop en breed georkestreerde soul. “La Fée Verte” is een uiterst geslaagd huwelijk van de meest psychedelische Stones (“She’s A Rainbow”) en Beatles (“Lucy in the Sky with Diamonds”) en onze huidige favoriet op dit album. “Acid Turkish Bath (Shelter From the Storm)” heeft baat bij enkele Oosterse accenten. Afsluiter “Neon Noon” wuift ons dan weer uit met een bizar maar geslaagd huwelijk tussen ambient en stonede Lennon-zang.

Toch werkt Velociraptor! bij de eerste beluistering al eens op de lachspieren. Pizzorno mag dan een getalenteerde songschrijver zijn die zijn retro-ambities middels een stevige shot rave toch erg hedendaags weet te doen klinken, Kasabian flirt met de potsierlijkheid. “Goodbye Kiss” is in de grond een ambitieuze ballad zoals we die van Blur kennen, maar Meighan zingt het helaas als een dronken motard die “Nothing Else Matters” aan zijn moeder opdraagt op de karaoke-avond.

Velociraptor! is ambitieus, een beetje silly maar dat het album uiteindelijk toch overtuigt, is dankzij Pizzorno’s songschrijftalent en de volstrekt unieke en eigenwijze mix van stijlen, bien étonnés de se trouver ensemble. De grote prijs voor subtiliteit of goede smaak zal Kasabian nooit winnen, maar in tegenstelling tot Oasis, durft Kasabian tenminste nog zijn eigengereide ding met die retro-obsessie te doen. Geen meesterwerk, dit Velociraptor!, maar eindelijk nog eens een geslaagde Britpopplaat en daar hadden we nu net behoefte aan.

E-mailadres Afdrukken