Banner

Danny & Dusty

Cast Iron Soul

Guy Peters - 14 mei 2007

Verbazing alom toen bekendgemaakt werd dat Danny & Dusty, het gelegenheidsbandje rond Steve Wynn en Dan Stuart, meer dan tweeëntwintig jaar na zijn enige wapenfeit The Lost Weekend de Brusselse AB zou aandoen mét een nieuw album onder de arm. Het was een heuglijk weerzien (niet dat we de eerste keer erbij waren), al hadden we een paar bedenkingen. En die hebben we ook bij Cast Iron Soul.

Ten tijde van The Lost Weekend, de plaat waar het allemaal mee begon zat Wynns band, The Dream Syndicate, na het vertrek van Karl Precoda zonder gitarist. Samen met Stuart, de clowneske voorman van Green On Red, voor wie waarschijnlijk elk excuus goed om een weekendje erop los te zuipen en enkele bandgenoten en vrienden van The Long Ryders musiceerde Wynn dan maar in een “venten onder elkaar”-sfeertje met alcohol binnen handbereik. Het resultaat The Lost Weekend was rommelig en bezopen, maar de spontaniteit wérkte en zorgde voor alt country-klassiekers als “The Word Is Out” en “Baby, We All Gotta Go Down”.

Toen Stuart vorig jaar te horen kreeg dat Wynn in z’n New Yorkse appartement z’n tijd zat te verprutsen wegens een enkelbreuk, bezocht hij zijn voormalige partner met het voorstel wat nieuwe songs te schrijven, songs die uiteindelijk zouden belanden op Cast Iron Soul. Oude bekenden Chris Cacavas en Stephen McCarthy waren opnieuw van de partij, en de twee moesten niet veel moeite doen om ook Bob Rupe (The Silos, Cracker) en Johnny Hott (Gutterball, Sparklehorse) aan boord te krijgen. Het album sluit qua spirit prima aan bij het debuut uit 1985, maar het zal niemand verbazen dat het er doorgaans iets bezadigder aan toe gaat. De wildebrassen van toen zijn nu wat gereserveerder, en genieten liever van een biertje dan dat ze het zomaar achterover kappen en het op een brallen zetten.

Met de vraag “Why does everybody wanna talk about the good old days?” maken de kameraden al vanaf de opener duidelijk dat het album geen nostalgietrip zal worden, maar erg consequent zijn ze daar niet in. Afsluiter “That’s What Brought Me Here” is immers een gecondenseerde biografie van de beide heren.

De band is op zijn best als er niet te veel tijd wordt verspild aan overtollige franjes. Het aan één riff opgehangen titelnummer en het door rammelende percussie vooruitgestuwde “Hold Your Mud” bijvoorbeeld zijn simpel en direct, al kunnen we ze ook “onderontwikkeld” noemen. Dan zijn soulvolle brokken als “Raise The Roof” en “”New York City Lullaby”, of het jolige “JD’s Blues” dat de luisteraar terugvoert naar de hoogdagen van Green On Red (met een song die zo op hun Here Come The Snakes had gekund) beter.

Hetzelfde scenario doet zich voor bij de ingetogen nummers: “Last Of The Only Ones” en “Warren Oates” (die “Love to bitch, don’t want to die” gaat hen erg goed af) zijn prima songs, terwijl het wat magere “It’s My Nature” en vooral het door Stuart gekweelde “Let’s Hide Away” de eindredactie niet hadden mogen passeren. Dat alles maakt van Cast Iron Soul een onevenwichtig, maar bij momenten aangenaam vervolg op de kleine klassieker uit 1985, en natuurlijk verplichte kost voor de fans van de betrokkenen.

Het album is niet enkel de volwassen versie van zijn voorganger, maar is ook een stuk gestroomlijnder. Hier wordt duidelijk een pak minder met country en de cafétraditie geflirt. De rootsconnectie verdwijnt weliswaar nooit helemaal, maar sommige songs (“Thanksgiving Day”, “Hold Your Mud”) hadden zo op een van Wynns platen kunnen staan, albums die doorgaans dichter aansluiten bij klassieke rock met een forse dosis melodie. Als je Cast Iron Soul echter naast het recente solowerk van Wynn houdt, en vaststelt dat diens laatste vier-vijf albums korte metten maken met dit plaatje, dan wordt het duidelijk dat er wel meer in had kunnen zitten. Misschien bij die derde gelegenheid, wanneer dat ook mag zijn.

E-mailadres Afdrukken
 
Danny & Dusty

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST