Banner

Kassei

Muur

7.0
Maarten Langhendries - 14 december 2018

Moeten er nog gitaren zijn? In Geraardsbergen was er een viertal dat gelukkig dacht van wel. Met haar debuut verkoopt Kassei iedereen die rockmuziek dood verklaart een oplawaai.

Zelf omschrijft Kassei hun bakermat Geraardsbergen als een slaapdorp. In ieder geval zullen er wel wat kippen, koeien en brave Geraardsbergenaren wakker geschrokken zijn uit hun middagdutje toen Kassei hun instrumenten begon uit te pakken in een lokaal tuinhuis. Het viertal speelt met nadruk luid (iemand bij Spinal Tap is op dit eigenste moment op zoek naar waar de versterkers met stand 11 gebleven zijn), en haalt daar overduidelijk heel veel plezier uit. En hoewel de strakke composities, de soms vingervlugge gitaarlijntjes en epileptische ritmesectie veel techniciteit en muzikaal vakmanschap aantonen, is Muur vooral een ode aan pretentieloos en meeslepend lawaai maken.

De mengelmoes van scheve mathrock en de dynamiek en het volume van postrock – “call it "cobblestone rock" for all the guys in Kassei care” - die de band brengt, doet in ieder geval weinig aan opbouw. Hier geen kilometerslange spanningsbogen. Drie minuten ver in opener “Prak” ontploft de boel – na een hysterisch spel van zigzaggende gitaren en drums – tot een zinderend hoogtepunt. En net wanneer je denkt dat de groep niet verder in het rood kan gaan, doen ze het toch. Een tsunami aan melodieus lawaai komt op je af. Toch weet de groep met zijn hyperkinetische aanpak de gekende clichés van het genre te vermijden. Denk aan hoe 65daysofstatic instrumentale rock vijftien jaar geleden een ziedende trap gaf. Slim ook hoe de groep je soms op het verkeerde been weet te zetten. “Waas” is één ingehouden brok spanning, bijna pesterig. Net wanneer je denkt vat te krijgen op het springerig riff-feestje, verandert de band van richting. Met een rustpunt lijkt de groep dan toch richting explosie te willen gaan, tot ze voluit de melodieuze kaart trekt met een trage gitaarlijn die alles neerlegt. Zeer schoon.

Niet dat Kassei niet verwoestend kan uithalen. “Vaal” raast zich door een gejaagde eerste helft, die al bij al beschaafd blijft, maar na enkele minuten wordt naast het gas- ook het volumepedaal langzaam stevig ingedrukt. Van korte, vinnige uithalen gaat het plots naar een logge mastodont van een riff die zelfs richting postmetal begint te neigen. De groep houdt het gelukkig beknopt genoeg om geen metaalmoeheid te creëren. Je blijft altijd nét genoeg op je honger zitten om naar meer te verlangen. Dat trucje herhaalt de groep nog eens in afsluiter “Wand”. Van kristalheldere arpeggio’s gaat het naar botte uithalen en terug, tot de groep definitief de tactiek van de verschroeide aarde inzet. Een flinterdunne gitaarlijn neemt het op tegen een muur van lawaai. David tegen Goliath. Kwestie van toch zeker te zijn dat iedereen gevloerd is wanneer de cd-speler stilvalt of de boxen ontploffen, dat kan ook.

Dat de opbouw van de nummers na een tijdje ietwat voorspelbaar wordt, is misschien de voornaamste kritiek die je op Muur zou kunnen hebben, en “Allicht” lijdt daar wat onder. Maar over het algemeen weet Kassei voldoende origineels te doen met beproefde recepten om een eigen smoel te hebben. En u en iedereen die het horen wil, eens goed op zijn smoel te slaan, dat spreekt voor zich. Wij gaan even ijs op dat blauw oog leggen.

E-mailadres Afdrukken
Tags: Kassei
 
Kassei

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST