Banner

Karokh

Karokh

8.0
Guy Peters - foto's: Rat Miller - 10 maart 2014

Verrassing en verwondering zijn je deel bij het beluisteren van Karokh. Dat, en het besef dat we veel te lichtzinnig omspringen met al die beladen adjectieven. Net zoals ‘melancholisch’ eigenlijk niets meer te betekenen heeft, zo besef je ook dat je waarschijnlijk 80% van de keren dat je ‘eclectisch’ uit de mouw schudde, best had gekozen voor een gematigdere term,‘opgesmukt’ of zo. Het gaat immers zo vaak maar om cosmetische foefelare, kromme beat of een verloren gelopen klarinet. Daarmee maak je het verschil niet. En dat doet het Noorse Karokh wel, met een debuutalbum dat zowel qua vorm als inhoud buiten categorie is.

alt

Het helpt natuurlijk ook dat dit, van vele walletjes etende, septet jongelingen al een bijzonder brede ervaring heeft opgedaan. Drummer Jan Martin Gismervik, die we al kenden van het Wolfram Trio, zit samen met gitarist Christian Winther en bassist Magnus Skavhaug Nergaard in improvisatietrio Monkey Plot, terwijl die laatste twee dan weer lid zijn van noisecollectief Ich B!n Nintendo. Dan komen er nog eens toetsenisten Jonas Cambien en Jan K Hovland bij, trompettist Thomas Husmo Litleskare (die heeft ook een eigen kwartet) en de unieke zangeres Ina Sagstuen, die ondermeer ook in familieband Father’s Finest en de Skadedyr-bende zit. Geen idee trouwens wat die naam te betekenen heeft. Ze delen die met een stadje in Afghanistan, maar dat is zowat het enige dat erover te vinden valt.

Starten en afsluiten doet het album met z’n twee meest conventionele songs, en zelfs daar voel je dat er meer aan de hand is. “Flowers Every Day” drijft immers op kringelend gitaarwerk, een aangehouden beat die rechtstreeks uit dekraut komt overgewaaid, en een melodie die kleurrijk wordt uitgesmeerd met trompet en synths. En dan is er nog Sagstuen, met dat charmante accent en die bijzondere stem, dat instrument waarmee ze de lettergrepen rekt en over de tong laat rollen, afgewisseld met woordeloze klanken, gekreund, geijld en veelooh’s en aah’s. Winther kan zich even te buiten gaan aan dreigende chaos in een krappe break, maar het leidt nooit tot de withete furie van Ich B!n Nintendo. Een pracht van een popsong, die regelmatig dreigt te ontsporen, maar telkens weer op de rails belandt.

Afsluiter “Into The Wild” neigt dan weer sterk naar het terrein van de indiefolk, met een lijzige performance van Sagstuen en een meer atmosferische aanpak, die het in de richting van het Scandinavische sfeertje stuurt. Wat eraan voorafgaat, is dan ook een stuk origineler en even wennen. Zo gaat “Gossip From The Air” van start met spacey ruis van het soort waarop je een lome Stereolab-groove verwacht. Maar dan komen plots dat gitaarmotiefje en de ritselende brushes opgedoken, die in herhaling blijven vallen, goed voor een loepzuivere trance. De zang, eigenlijk meer een voordracht, heeft hier bijna iets van hekserij, een occulte spreuk die weinig goeds belooft.

Alles valt even stil, behalve de zeurende toetsen die intensere en hogere frequenties bereiken, tot het stuk plots compleet omslaat met een stuiterend ritme, jengelende spionagefilmgitaartjes en de jammerende wartaal van Sagstuen. Dat bezwerende aspect wordt nog eens aangedikt in het tribale “Song From A Coast”, met nadrukkelijk gearticuleerde zinnen die hier het gewicht van de Noorse mythologie lijken te dragen, ondersteund door aanhoudende percussie en flarden gedempte nachtbrakerstrompet. Desoriënterende, metalige percussie als uit een koortsdroom van Tom Waits en bezwerende stemexploratie maken het stuk volledig af.

En dat is nog niet alles, want intussen passeerde ook “Tsjuder”, dat postvat tussen een soort pastoraal minimalisme, rijk aan kleine geluidjes en details, en een theatraal verhaal waarin een abrupte versnelling met akoestische gitaar, brushes en shaker de song een haast exotische en zorgeloze zwier meegeven. “Surrf Decadence (Ooh Ooh)” keert terug naar de pop, met galmende twanggitaar, een onweerstaanbaar catchy melodie en pronte attitude in de zangpartij van Sagstuen. En een knoert van een zomerrefrein. “Once More No Bear” zoekt het opnieuw op het terrein van het neurotisch repetitieve in een surreëel dromenland, met een orgastische, uit z’n voegen barstende finale, terwijl de titeltrack een hectische explosie is van een dikke minuut met fusilleergitaar, start/stop-dynamiek en jazzpunkgekte. Het kan niet op.

Op papier heeft het misschien iets van een vergaarbak waar elk idee nonchalant in gekieperd wordt, maar het is net de controle over al die geluiden, ritmes en stijlen die hier het meest imponeert. Het gemak waarmee rock, minimalisme, folk, kraut, elektronica en experiment aan elkaar geplakt worden, getuigt van een even avontuurlijke als coherente visie. Dit is een (h)echte band. En dan is er nog die veelzijdige en betoverende sirene Ina Sagstuen, de troef die dit alles nog een niveau hoger kan tillen. We worden de dag van vandaag overspoeld door interessante Noorse bands, maar Karokh weet zich moeiteloos los te maken van het peloton. De opnames dateren al van een tijd terug en intussen stonden de muzikanten niet stil. Er is dan ook niets om hen ervan te weerhouden om nog potten te gaan breken. Nu al een van de debuutplaten van het jaar.

E-mailadres Afdrukken