Banner

Ed Harcourt

Back Into The Woods

8.0
Kim Timperman - 02 juni 2013

Negen songs, een stem, drie verschillende piano’s en een enkele gitaar. Veel meer heeft Back Into The Woods niet om het lijf. Maar net door al het overtollige vet weg te snijden herleidt Ed Harcourt zichzelf tot zijn essentie en dat levert een juweeltje op voor de fans en een perfecte kennismakingsplaat voor wie hem nog moet ontdekken. En dat voor een plaat die maar bedoeld was als een tussendoortje.

Eigenlijk had het helemaal anders moeten lopen. Voor de opvolger van Lustre zouden samples, bleepjes en elektronica de oude vertrouwde piano moeten vervangen. Alleen verliep dat veranderingsproces niet zonder slag of stoot en uit pure frustratie schoof Harcourt een half afgewerkte plaat aan de kant in de hoop er later opnieuw aan te beginnen met een fris hoofd. Vergeefse moeite, want in dat hoofd begon zich al snel het idee voor een heel andere plaat te vormen. Een zonder samples, bleepjes en elektronica en met niet veel meer begeleiding dan die oude vertrouwde piano.

Bovendien zou de hele plaat tijdens een zes uur durende sessie opgenomen worden in de wereldvermaarde Abbey Road Studios, zonder de mogelijkheid om later fouten weg te werken. In tijden waarin elk woord van de zang apart kan worden opgenomen (desnoods op vijf verschillende continenten) en je vaak niet kan horen of iets nu in een groezelige achterkamer dan wel in een peperdure studio is opgenomen, klinkt Back Into The Woods dan ook als een anachronistische verademing. Hier hoor je een doorlopende performance van een man en zijn instrument (enkel hier en daar werden twee verschillende takes met elkaar gecombineerd) en op “Wandering Eye” en “Murmur In My Heart” lijkt de studio bijna fysiek aanwezig te zijn.

Niet alleen zijn benadering van het opnameproces is anachronistisch, ook als songschrijver lijkt Harcourt eerder thuis te horen in het pre-digitale gouden tijdperk van de singer-songwriters, de seventies, dan pakweg naast hedendaagse singer-songwriters als Bon Iver of The Tallest Man On Earth. Waarschijnlijk is het daarom dat het grote publiek hem dertien jaar na zijn debuut-EP

Maplewood nog altijd niet ontdekt heeft. Maar Harcourt voelt zich goed in zijn vel als een van de “underdogs who skipped the hall of fame”. Waarom zou hij zich zorgen maken over succes, zo vraagt hij zich af in “The Cusp & The Wane”, als succes komt en gaat en zelfs Mozart stierf als een armoezaaier en William Blake belachelijk werd gemaakt door zijn tijdgenoten?

Om maar te zeggen dat Harcourt als tekstschrijver ook nu weer zijn gevatte zelf is en zijn gevoel voor zelfrelativering nog helemaal in tact is. Als hij tijdens “Hey Little Bruiser” moet bekennen dat zijn zoon een “cocksure rooster” is, heeft hij geen moeite om er in een adem aan toe te voegen dat zijn zoon het van geen vreemde heeft: “Well I gotta say that the apple don’t fall too far from the tree/got the good bits from your mother/and the bad parts from me”. Ten volle bewust van zijn eigen gebreken, beseft hij in “Wandering Eye” dat hij zich vroeg of laat zal moeten verantwoorden voor de fouten die hij begaan heeft: “You can be my judge and my jury/Condemn me to the soil and the earth/Tie me to the end of four horses, place a bet on which part goes first”. Maar dat is nu eenmaal zijn levensfilosofie: “I have lived a life that thrives on beautiful mistakes/The certainty of death confirms the urge to celebrate”.

Gelukkig is Harcourt slim genoeg om op geregelde tijdstippen de aandacht van zichzelf af te leiden en twijfel te zaaien door situaties aan te dikken en uit te vergroten of tegen alle regels van de conventie in binnen een en hetzelfde nummer om te schakelen van “I” naar “he”. Daardoor slaagt hij erin om nooit klef of gênant te klinken, zelfs als hij zoals in “Last Will & Testament” heel persoonlijk wordt en vooruitblikt naar het einde van zijn leven: “When I am old don’t put me on a machine, just run your fingers through my hair, sing me slowly to sleep/(…)Bright is the morning when you know it is time to go/Neither above nor down below/I don’t believe in a grand design, but I’ll be here with you long after I die”. Het beeld dat uiteindelijk blijft hangen is dat van een man van vlees en bloed, een onverbeterlijke vagebond met een peperkoekenhart.

Niet alleen de teksten stralen een en al warmte uit, ook muzikaal voelt Back Into The Woods aan als een oud eiken meubelstuk vervaardigd door een doorwinterde vakman. De opnames zelf mochten dan wel snel ingeblikt zijn, aan de songs werd vooraf duidelijk gesleuteld tot elk woord en elke noot juist zat, tot elke song op zich en alle songs samen perfect in balans waren. Harcourt weet daarbij de valkuil van de eentonigheid te vermijden. Na een beschouwend “The Cusp & The Wane” volgt even later een donker “Wandering Eye” waarboven de onweerswolken dreigend samenkomen en daarna weer een ontwapenend dartel “The Pretty Girls”. Dat alles wordt geruggensteund door een beperkt maar continu veranderend instrumentarium. “Hey Little Bruiser” wordt door de viool van zijn vrouw van een reeks sierlijke krullen voorzien, op “Wandering Eye” vermenigvuldigt hij zijn stem tot een heus koor en tijdens “Brothers & Sisters” zorgt een orgel voor grandeur in zakformaat.

Zeggen dat Harcourt met Back Into The Woods een risico heeft genomen, is een understatement. Op een offday zou het hem niet meer dan een veredelde demo hebben opgeleverd, maar blijkbaar speelt hij op zijn best met zijn rug tegen de muur. Dat daarbij de beloofde vernieuwing aan de kant werd geschoven is het enige minpunt aan Back Into The Woods. Maar als hij deze tour de force nog eens kan herhalen, mogen de samples, bleepjes en elektronica ook voor de volgende plaat gerust nog in de kast blijven.

E-mailadres Afdrukken
 
Ed Harcourt

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST