Banner

Kasabian

Kasabian

Matthieu Van Steenkiste - 13 december 2004

Uw alziende goddeauredacteurs wisten het u deze zomer al te melden: het Bezdom is terug van even weggeweest om Kentucky Fried Chicken. Bespeurden we toen in de euforische vroege britpop van Delays de beatjes en bliepjes van Happy Mondays en andere, Kasabian walst daar nu met stevige pas over. Zou het tijd zijn voor die derde Summer of Love? Dat ze ons alvast maar op de guestlist zetten dan.

Vier bladzijden heeft de platenfirma nodig om samen te vatten hoe geweldig onze immer-genuanceerde collegae van over het kanaal deze debuutplaat vonden. Of neen: eigenlijk zijn het twee bladzijden waarin de groep zelf vertelt hoe ongelofelijk ze niet zijn, wat voor "broodnodige stamp in de kloten" ze de Britse muziek wel niet hebben verkocht en dies meer, waarna de verzamelde recensenten dat op evenveel kantjes ijverig beamen. Het enige wat wij dan kunnen bedenken is "here we go again".

Wij kennen dat immers, van die Engelse confraters die buiten zinnen over elkaar struikelen om ons een nieuw jong groepje aan te prijzen. Meestal blijkt het — om maar één van hun illustere voorgangers te citeren — "much ado about nothing", en staat de rest van de wereld maar een beetje verbaasd naar al die commotie te kijken. Omdat Londen nu eenmaal nog steeds de navel van de popwereld is, krijgen al die plaatjes bij ons niettemin ook een kans. ’t Is dat we het zelf zijn, de hoofdredacteur zou ons anders nogal onder onze voeten geven, gesteld dat we met één of andere boeiende nieuwlichterij niet méé zouden zijn.

Kasabian dus maar: vier jonge snaken met — even de foto’s in het cdboekje gecheckt en yep — de juiste kapsels en een geluid dat teruggrijpt naar een beproefd concept. Nu de jaren tachtigrecyclage eindelijk zo vervelend wordt bevonden als dat decennium effectief ook was, heeft één of ander duister comité (wij waren alvast niet uitgenodigd) immers besloten dat het tijd is om de vroege jaren negentig te doen herleven.

Shoegazen deden de Morr-groepjes al uitgebreid, de lads van Kasabian hebben duidelijk een onbestemd heimwee naar de tijd van veel te grote broeken, XTC en illegale raves. Inderdaad: wie had ooit gedacht dat Madchester terug in zou zijn? Kasabian put vrijelijk uit het grote stijlboek van de Baggy House van de Happy Mondays, de Stone Roses en andere Primal Screams.

Vooral die laatste zijn een veelvuldig referentiepunt op dit titelloze debuut, met zwaar vervormde baslijnen, gitaren die door allerhande effectenkastjes scheuren en die typische branie in de beat. "Reason Is Treason" en "L.S.F." leunen wel héél erg aan bij platen als XTRMNTR of Evil Heat. Single "L.S.F. (Lost Souls Forever)" is dan weer instant-catchy met zijn Happy Mondaysrefrein, terwijl "Cutt Off" een heerlijk bliepende outro heeft. En toch — typisch het euvel dat ook hun illustere voorbeelden wel eens kenmerkte — het mist allemaal wat variatie: naar het einde toe hebben we die eeuwige baslijnen en drums wel al gehoord, zeker als daar niet de sterkste songs boven worden gebouwd.

Je kan je vragen stellen bij de noodzaak van deze herhalingsoefening, maar dat hebben we ook niet gedaan toen The Radio Dept. ons deze zomer het shoegazen nog eens kwam uitleggen. Debuut van het jaar is dit plaatje echter niet, verre van zelfs. Aardig en voor de helft best genietbaar wel. En als u ons nù wilt excuseren, dan gaan wij ons op de grungerevival van volgende maand voorbereiden.

E-mailadres Afdrukken