Banner

Keane

Strangeland

Philippe Nuyts - 07 mei 2012

“Keane is de Abba van zijn tijd”, bezwoer (mvs) deze (pn) drie jaar geleden tijdens de triomfantelijke set van de band op T/W Classic 2009. En gelijk heeft hij, want dat is Keane op z’n best wel degelijk.

’s Bands laatste, Perfect Symetry uit 2008, had met z’n 80’s-synths en die typische Keaniaanse pianoriedels het cachet van pakweg “The Winner Takes It All”. Het was een vrij verrassende stap voorwaarts na de (te) aaibare melancholie van debuut Hopes And Fears, en de wannabe-donkere opvolger Under The Iron Sea. Het maakte dat Keane het best, of voor velen enkel, te genieten valt als een knoert van een guilty pleasure.

Maar dat was bezwaarlijk de bedoeling van de band, die begon te beseffen dat de slinger op Perfect Symetry misschien te ver was doorgeslagen. Keane raakte de weg kwijt, getuige daarvan de achtkoppige draak van een e.p. Night Train uit 2010. Toen werd het stil, en worstelde de groep met de vraag of er nog wel een volgende plaat moest komen. Tegen die achtergrond is het dus geen wonder dat Strangeland opvallend teruggrijpt naar de sound van het debuut, gelardeerd met enkele invloeden uit de twee andere platen.

En dat is op alle vlakken een stap achteruit. De aanstekelijke foutheid en ongedwongen warme feel good van Perfect Symetry gaf Keane een reden van bestaan. Meer dan hun figurantenrol in de schaduw van Coldplay, waarin ellebogenwerk met die andere pianorock van Snow Patrol hun deel is. Keane is meester in het schrijvan van sterke melodieën, maar of ze daadwerkelijk raken is een andere vraag. En het antwoord is op Strangeland toch te vaak negatief.

Maar soms is het er boenk op, hoor -- niet toevallig de momenten waarop de Rubicon tussen ‘aanstekelijk’ en ‘fout’ met de armen zwaaiend wordt overgestoken: op een song als “Sovereign Light Cafe” bijten popschrijvers overal ter wereld ontelbare potloden stuk; “On The Road” heeft een ritme dat kleuterscholen op en neer doet huppelen, maar is voor uw dagelijks cynisme wat Dafalgan voor uw wekelijkse mottigheid is. Maar de klepper van de plaat is, niet toevallig, de euforische synthpop van “Day Will Come” dat met z’n gebalde drie minuten zelfs (guilty) perfectie bereikt. Een straffe die dat van de iPod krijgt dit jaar.

Aan het andere uiterste is er het sterke “Black Rain” , dat refereert aan de donkere muzikale periode van de band, toen de portoverslaving van zangerknaap Tom Chaplin -- “drugs” klinkt echter beter, natuurlijk -- het voortbestaan van Keane al een eerste keer bedreigde. “Black Rain” stoeit met elektronica, Chaplin doet Thom Yorke klinken als een weemoedig bloemenmeisje en sirenenzang zorgt voor een bloedmooie coda. Mocht Keane hard proberen, zouden ze uit experimenten als dit ook een plaat kunnen puren die er toe doet.

Maar net als op die vorige poging, Under The Iron Sea, heeft de band een spastische neiging om onderling inwisselbaar geluidsbehang met pianomotiefjes te blijven maken. Degraderen dan ook de plaat: “Watch How You Go”, dat zich laat luisteren als een troostende knuffel van iemand die je eigenlijk niet kunt uitstaan, het mekkerende “Sea Fog”, “Disconnect”, dat de band al vijf keer eerder heeft geschreven, en “Neon River”, waar op een moedigere plaat meer mee gedaan zou kunnen worden. Vandaar dat Strangeland een ontgoochelende nasmaak achterlaat, want de warme openingssongs “You Are Wrong” en “Silenced By The Night” laten horen dat de band ook in dat segment beter kan.

En dus misschien gewoon niet beter wilt. Het maakt van Strangeland een plaat die veiliger is dan een job als ontmijner in de Kesselse heide. En dat is zonde: Keane blijft zo een groep waar het gevoel rond blijft dat er meer in zit. Het reeds omvangrijke pretpakket perfecte popsongs wordt weer wat groter, live zal een juiste setlist het beste foute feest van het jaar worden. Maar ergens blijft het wachten op hun The Visitors, op voorwaarde dat het hun zwanenzang niet wordt. Strangeland lijkt net uit de angst daarvoor gemaakt.

E-mailadres Afdrukken
 
Keane

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST