Banner

Thomas More

Utopia

8.0
Jurgen Boel - 09 juni 2017

In 2016 was het vijfhonderd jaar geleden dat sir Thomas More het werk neerpende dat een geheel nieuw genre zou baren en zelfs zijn naam zou geven. Met Utopia bracht More zonder dat het zijn bedoeling was de utopische (en dystopische) literatuur tot leven. En dat terwijl Utopia in strikte zin niet eens als utopische literatuur beschouwd kan worden.

Toen Moore met Utopia een fictieve staat beschreef, kon hij zich baseren op een bescheiden traditie die enkele eeuwen voor Christus al vruchtbare grond had gevonden in het oude Griekenland. Zo behoort Politeia (De staat of De republiek) tot Plato’s bekendste werken, waarbij hij zijn visie op een ideale staat voordraagt. Ook zijn bijna-tijdgenoot Euhemerus beschreef een fictieve maatschappij/samenleving in zijn fictieve reisverhaal Heilige Geschiedenis. De verzonnen reisverhalen, alsook de beschrijving van vreemde/andere werelden, gekoppeld aan een morele les, zedenschets of waarschuwing waren in de middeleeuwen genoeglijk bekend.

In die optiek sloot More dan ook aan bij een lange en gekende traditie. Vernieuwend was echter de manier waarop hij subtiele humor in zijn werk bracht en daarmee een antwoord gaf op het werk van zijn goede vriend Erasmus, wiens Lof der zotheid aan More opgedragen was. More startte met het schrijven van zijn werk in mei 1515 terwijl hij op bezoek was in “de lage landen” en hij zou bij zijn thuiskomst in Engeland het boek afwerken. Nadat hij de beschrijving van het mythische eiland had voltooid en zijn staatsstructuur en gewoontes had neergeschreven, besloot Moore een “voorbereidend” deel uit te werken waarbij hij het “hoofdpersonage”, de reiziger Rafaello Baballerio, introduceert die hem in het tweede deel alles over Utopia vertellen zal.

Utopia, zo betoogt Baballerio, is gesticht door Utopos die het land veroverde en liet uitgraven, waardoor het als eiland kwam te bestaan. Klinkt dit nog niet absurd genoeg, dan blijkt uit de hele beschrijving van de staatsstructuur dat het een mengvorm van egalitair collectivisme en getrapte democratie betreft, waarbij persoonlijk bezit is verbannen en elke vorm van luister en opsmuk uit den boze is (in die mate zelfs dat goud onder meer gebruikt wordt voor de ketenen van slaven en kamerpotten). Handenarbeid is gemeengoed, op een kleine groep van geleerden en priesters na, terwijl soldaten steevast huurlingen zijn die rijkelijk vergoed worden en alleen nodig zijn wanneer Utopia bedreigd wordt, aangezien het eiland geen behoefte voelt om meer territorium te verwerven.

Als een moderne welvaarsstaat is onder meer ziekteverzorging geheel gratis en werken de Utopianen slechts zes uur per dag (en zelfs minder indien de omstandigheden het toelaten). Iedereen leeft bovendien volgens zijn eigen godsdienstige overtuigingen, terwijl huwelijken ontbonden kunnen worden en euthanasie toegelaten is. Tegen zoveel vrijheid staat evenwel het gegeven dat er geen privébezit is, dat reizen naar een andere stad enkel toegelaten is met een vergunning en voorhuwelijkse seks verboden is. De wetten heten zo duidelijk te zijn dat elke overtreding meteen bestraft wordt; slavernij is daarbij een van de zwaarste straffen.

Het is een vreemde mix van moderne ideeën en oude opvattingen die in dit tweede deel van Utopia aan bod komen en ongetwijfeld mee voor de blijvende faam van het werk gezorgd hebben. Het is in die optiek dan ook enigszins jammer dat het eerste deel minder aandacht krijgt, want meer nog dan in de eilandbeschrijvingen toont More zich hier een kritische observeerder van de toen heersende opvattingen en structuren. Bij monde van Babbalerio bekritiseert hij niet alleen de nood van heersers om oorlogen te voeren, maar ook een te rigide strafsysteem dat finaal meer misdaad creëert dan het verhindert. Babbalerio weigert zelf een raadsman te worden omdat goede adviezen toch in dovemansoren zouden vallen, waarna hij meermaals Plato’s Politeia aanhaalt om zijn ideeën kracht bij te zetten.

De scherpe stellingen en het vooruitstrevende maatschappijmodel dat in Utopia aan bod komen mogen niet zomaar gelijkgesteld worden met Mores eigen opvattingen, want ook al vertoont Utopia gelijkenissen met Mores Londen (en Engeland), het is More zelf die in een epiloog opmerkt dat Utopia’s wereld niet zomaar overgedragen kan worden. De huidige consensus is dan ook dat More met het werk ook zijn broodheer en koning Hendrik VIII wou bijstaan en hem via het boek wou tonen hoe deze een betere koning kon worden. Dat hij daarin niet geslaagd is, heeft de geschiedenis intussen bewezen, maar dat kan geen afbreuk doen aan de waarde van Utopia dat, zeker in de uitstekende vertaling van Paul Silverentand (inclusief de nodige annotaties voor de moderne lezer), ook vijfhonderd jaar na zijn eerste publicatie nog steeds verrassend modern aanvoelt.

E-mailadres Afdrukken
 
Thomas More
Athenaeum – Pollak & Van Gennep
www.uitgeverijathenaeum.nl

Uit ons archief
Banner

TEST