Banner

Jabberwocky

3.0
Dennis Van Dessel - 06 september 2007




't Was brillig, and the slithy toves / Did gyre and gimble in the wabe / All mimsy were the borogoves / And the mome raths outgrabe.

Dat is het begin van 'Jabberwocky', een gedicht van Lewis Carroll, de man die ook 'Alice in Wonderland' schreef - een stukje poëzie dat tsjokvol nonsenswoorden zit, maar in ruwe lijnen over een jongen gaat die een monster doodt en het hoofd aan zijn vader laat zien, om te bewijzen wat hij waard is. Voor zijn eerste solofilm nam Terry Gilliam dat basisconcept over, en hij maakte er een prent van die vaak al even onzinnig is als het gedicht zelf. Alle begin is moeilijk, zo wordt wel eens gezegd door mensen die graag in clichés spreken, en dat blijkt hier. Anno 1977 (nog vóór hij met Monty Python 'Life of Brian' maakte, en slechts twee jaar na 'The Holy Grail') toont Gilliam zich nog in hoge mate een regisseur-in-wording, die nog lang niet zeker is welk verhaal hij wilt vertellen of hoe hij dat moet doen. Bepaalde thema's duiken wel op, ja, maar die gaan maar al te vaak verloren in de chaos van losse ideetjes die 'Jabberwocky' is.

Het zijn de Middeleeuwen (ages darker than anyone could have foreseen, klinkt het in de film), en het Britse land wordt geteisterd door de Jabberwock, een mysterieus monster dan mensen met huid en haar verslindt. Slechts enkele kleine dorpjes zijn gespaard gebleven van het verschrikkelijke beest, waaronder dat van Dennis Cooper (Michael Palin), de sullige zoon van een tonnenmaker. Dennis probeert wanhopig het hart te veroveren van de angstaanjagend dikke Griselda Fishfinger, en wanneer dat niet blijkt te lukken, besluit hij dat er drastische actie nodig is. Hij trekt naar de grote stad om daar de rijke en moedige man te worden die Griselda verdient. Na een nauwelijks na te vertellen reeks avonturen komt hij terecht in een steekspel, georganiseerd door de koning, om te bepalen welke ridder de Jabberwock moet gaan doden. Het spreekt voor zich dat Dennis zich al gauw oog in oog bevindt met het gruwelijke beest.

Dat is de basisplot (die inderdaad overtonen laat horen van wat er in het gedicht plaatsvindt), maar op, onder en naast dat primaire verhaal stauwt Gilliam z'n film vol met personages en situaties, die al dan niet erg veel invloed uitoefenen op dat verhaal. We krijgen half-demente koningen, botergeile prinsessen, nonnen in travestie, overspelige herbergiersvrouwen en ga zo maar door in een oneindige parade aan karikaturen, die allemaal in sketch-situaties worden gestoken. Dat is een belangrijk probleem met 'Jabberwocky': enerzijds wil Gilliam duidelijk verder evolueren van de Monty Pythonfilms, en een échte film met een fatsoenlijk verhaal vertellen, met een begin, een midden en een einde. Maar anderzijds blijft hij vasthangen aan de episodische structuur van zijn werk met Monty Python. Verschillende scènes hebben nauwelijks iets met elkaar te maken, maar lijken er enkel te zijn ingeschreven omdat de filmmakers het op het moment van schrijven wel lollig vonden. In een Monty Pythonfilm werkte dat, omdat dat nu eenmaal de opzet van die films waren - ze probeerden ook niets meer te zijn dan dat. En het werkte ook omdat er aan werd geschreven door het hele Python-team, dat verdorie goed wist wat grappig was en wat niet. Hier voel je continu dat de regisseur eigenlijk meer samenhang in z'n film probeert te brengen dan er maar inzit, en dat wringt. Bovendien zijn de grappen nog niet half zo succesvol als die in de gemiddelde Pythonfilm: hier en daar zit er een giller, maar veel ervan vallen ook plat op hun neus.

Net zoals in 'Monty Python and the Holy Grail', krijgen we ook hier weer een visie op een decadente, glorieus corrupte maatschappij. Dennis vertrekt naar de stad met een nobele, hoofse bedoeling: een echte man te worden, een heer die de liefde van zijn vrouw verdient. Hij gelooft in de idealen die we allemaal kennen uit de literatuur van (en over) die tijd: zuivere liefde, heldenmoed en al de rest. Maar om hem heen zien we uitsluitend idioten en smeerlappen. Zijn grote liefde Griselda keurt hem nauwelijks een blik waardig en is enkel geïnteresseerd in vreten. De koning is een bloeddorstige dwaas, die een steekspel onder zijn ridders organiseert om er één te vinden die de Jabberwock aankan, maar vooral ook omdat hij graag hun bloed ziet rondspatten. Soldaten zijn sadistische pestkoppen, de kerk is er enkel om anderen op de brandstapel te zetten en zijn eigen macht te vergroten. Alles en iedereen in 'Jabberwocky' is corrupt, behalve Dennis.

Da's een interessant gegeven, maar het gaat verscholen in een film die worstelt met z'n eigen fragmentarische structuur. Bovendien hamert Gilliam veel te veel op de lelijkheid en vunzigheid van z'n setting en z'n personages. Alle personages lopen rond met zwarte tanden en modder op hun gezicht. De kak- en pisgrappen zijn, zeker tijdens het eerste half uur, haast constant aanwezig, en Gilliam lijkt ook een bizarre voorliefde te voelen voor komische gore: een bedelaar hakt zijn eigen voet af omdat daar meer profijt uit te halen is. Een stroper wordt aan het begin van de film gedood door de Jabberwock, waarna er enkel een skelet met enkele brokjes vlees overblijft. En zulke momenten zijn er nog: de regisseur benadrukt waar hij maar kan de vunzigheid van zijn film. Nu zal persoonlijke hygiëne in de Middeleeuwen niet bepaald hoog op de lijst van prioriteiten hebben gestaan, maar Gilliam wentelt zich in die vuiligheid, en dat zorgt voor een bepaalde weerstand bij de kijker.

Er zit dus wel een idee achter 'Jabberwocky', en hier en daar zitten best leuke scènes, maar de flauwe momenten overheersen te veel, en de makers kunnen niet beslissen of ze nu een sketchfilm of een volwaardig verhaal willen maken. Een hobbelige start voor Gilliam, maar één die hij nog meer dan goed zou maken.

E-mailadres Afdrukken
 
Jabberwocky
UK / 1977
Regie: Terry Gilliam
Scenario: Terry Gilliam; Charles Alverson
Met: Michael Palin; John Le Mesurier; Max Wall; Deborah Fallender
Duur: 100 min.


Advertentie
Banner
Advertentie

TEST