Banner

Off Screen Festival 2019 Blog

Yirka De Brucker; Jeroen Hulsmans; David Vanden Bossche - 13 maart 2019
alt

Cultfreaks en horrorfans aller landen, kom maar uit uw krochten: Van woensdag 13 tot zondag 31 gaat – ondertussen alweer de 12e editie – Offscreen 2019 van start. Ook dit jaar kunnen de liefhebbers van horror, science-fiction, sexploitation, maar soms ook gewoon slechte smaak, weer hun al dan niet bebloede vingers aflikken.

Zoals steeds pakt het festival uit met het Offscreenings programma waarin een aantal nieuwe releases getoond worden die de klassieke bioscoop vaak niet halen. Zo is het onder meer uitkijken naar Luz van Tilman Singer en Killing van de Japanse regisseur Shinya Tsukamoto die o.a. met Tetsuo: The Iron Man – een drilboorpenis wis je niet zomaar even uit je geheugen – uitgroeide tot een ware cultheld.

Dit jaar is er ook het ‘Game On!’ programma, een cinematografische ode aan het begintijdperk van de video games en de eerste adaptaties ervan op het witte doek. (Cult)klassiekers zoals Tron (David Lisberger),Super Mario Bros (Rocky Morton en Annabel Jankel) en eXistenz (David Cronenberg) maken o.a. deel uit van deze selectie, maar ook de waanzinnige documentaire The King of Kong (Seth Gordon), waarin een enthousiasteling het jarenlang ongeëvenaarde ‘Donkey Kong’ wereldrecord aanvalt.

Liefhebbers van meer aangebrand materiaal kunnen genieten van de Roberta Findlay Tribute reeks waarin we Roberta zien opdraven in een aantal sexploitation prenten zoals The Tiffany Minx en The Altar of Lust. Wie tenslotte echt de grenzen van het wansmakelijke wil aftasten kan terecht in het ‘Death On Film’ programma. Onder andere beruchte titels als Nekromantik en Faces of Death zoeken de grenzen op van wat je kan en wil doorstaan in een filmzaal. Nog verder gaat Guinea Pig: Flowers of Flesh and Blood, een film die – zo wil de legende – het onderwerp uitmaakte van een FBI onderzoek.

Het kloppend hart en epicentrum van Offscreen blijft ook dit jaar Cinema Nova, waar er naast de festivalbar ook enkele nevenactiviteiten te vinden zijn zoals de Combat Video Game Night, een Conferentie over de link tussen Video Games & Film of een masterclass van Roberta Findlay. Verzamelaars moeten zeker 23 maart aanstippen voor de Second Hand Film Fair in de Nova Bar.

Op deze pagina’s brengt Enola u de komende tijd een overzicht van de meest boeiende en in het oog springende films die onze recensenten op het festival te zien krijgen.

Donderdag 14 maart

High Life

alt

De aftrap van Offscreen 2019 werd dit jaar gegeven met de dubbele screening van High Life, de nieuwe prent van de Française Claire Denis, vooral gekend van eerdere successen zoals Beau Travail of 35 Rhums. Een aantal nominaties en prijzen op grote internationale filmfestivals, waaronder het Filmfestival van Gent het afgelopen jaar, doen vermoeden dat ook deze laatste aan dat rijtje zou toegevoegd worden.

Claire Denis waagt zich met High Life voor het eerst aan science-fiction pur sang. Wie echter een stevige thriller in de sterren verwachtte, had waarschijnlijk de bioscoop al verlaten na een klein half uurtje. High Life staat namelijk vele lichtjaren af van box office science fictionepossen zoals de Star Wars films en leunt eerder aan bij een 2001: A Space Odyssey of, meer nog, bij Silent Running. Wie die laatste heeft gezien, kan niet anders dan grijnzend aan dit milieu-activistische pareltje terugdenken wanneer we Monte en zijn dochtertje verse groenten zien plukken in de tuin op het ruimteschip.

De film opent met een aaneenschakeling van langgerekte establishing shots van een ruimteschip en een aantal hoofdpersonages, zonder zich al te veel te bekommeren over het schetsen van het verhaal. Dit maakt het voor de kijker niet altijd even gemakkelijk om zich te oriënteren in tijd en, tja, ruimte en tegen dat de plot echt op gang begint te komen zijn we dan ook al een hele tijd aan het meevliegen met schip en crew. Die wat afwezige plot bevordert uiteraard de toegankelijkheid niet van de film. Het goede nieuws echter is dat die plot – iets met energie aftappen uit een zwart gat en medische experimenten rond vruchtbaarheid – er eigenlijk minder toe doet. Wat centraal staat in High Life is hoe mensen – en zeg maar gerust de gehele condition humaine – met universele ideeën als eenzaamheid, afwijzing en verantwoordelijkheid omgaan. Waar je aanvankelijk eerder kil en afstandelijk toekijkt op wat er zich afspeelt in die micromaatschappij op dat schip, grijpen de taferelen gaandeweg steeds meer naar de keel. Zo heb je de crewdokter (Juliette Binoche) die almaar meer geobsedeerd raakt door voortplanting en zich haast opwerpt als Religieuze Leider. Of aanschouw hoe in de kille wereld waarin de crew moet zien te overleven, de seksuele spanning en frustratie steeds hoger oploopt om zich tenslotte te uiten in de meest verwerpelijke uitingen ervan.

Te midden van deze chaotische en steeds meer stresserende sfeer die heerst op het schip, kunnen we gelukkig regelmatig terugvallen op hoofdpersonage Monte, de belichaming van de menselijkheid aan boord van het ruimteschip. Het is Monte die de kijker de enige houvast geeft om zich toch met iets of iemand te identificeren. Uiteraard dienen we in de eerste plaats krediet te geven aan regisseuse en co-scenariste Claire Denis, die haar camera langzaam zowel binnen als buiten het schip door de grote ruimte laat glijden en zo haar visie prachtig in beeld brengt. Maar het valt niet te ontkennen dat deze film niet gewerkt zou hebben, moest hij niet gedragen worden door een Monte, neergezet zoals Robert Pattinson dat hier doet. Zoals hij vorig jaar al bewees in Good Time slaagt hij er ook in High Life in om het juk van tienerster voorgoed van zich af te werpen en ontzettend geloofwaardig als tuig of nobody op het witte doek te verschijnen.(JH)

High Life, Duitsland/Uk/Frankrijk – 2018, Regie: Claire Denis, Acteurs: Robert Pattinson, Juliette Binoche, 110 minuten, Score: 7,5/10

Vrijdag 15 maart

Luz

altDe tweede film in het ‘Offscreenings’ programma, was Luz van de Duitse regisseur Tilman Singer. Luz is niet alleen het debuut van de jonge Duitser, het is zelfs een studentenfilm, gedraaid met zeer beperkte middelen.

Luz plaatst zich binnen het gamma van de horrorfilm in het ‘possession’ subgenre en vertelt het verhaal van een verdwaasde jonge Chileense vrouw (Luana Velis) die ergens in het Duitsland van de jaren ’70 ietwat verweesd een politiekantoor binnenvalt. Via een vroegere vriendin (Julie Riedler) worden enkele fragmenten prijsgegeven van haar in mysterie gehulde verleden. Zo zou ze als medium betrokken zijn geweest bij satanische rituelen. In een langgerekte hypnose, geleid door dokter Rossini (Jan Bluthardt), trachten de agenten te achterhalen wat er precies aan de hand is. De hypnosesessie en ook het meeste van wat nadien volgt, schept vaak meer verwarring dan klaarheid: personages lijken van gedaante te veranderen en declameren moeilijk te ontcijferen sektarisch klinkende leuzes. Zo komt steeds opnieuw die duivelse herwerking van het Onze Vader terug (“Our Father, why art thou such a dick? Thy kingdom stinks…”). Het is bij Luz dan ook tot op het laatste moment aan de kijker zelf om de eindjes aan elkaar te knopen en tot (één van) de mogelijke verklaring(en) voor de plot te komen.

Net zoals bij de festivalopener High Life is ook bij Luz het verhaal eerder een middel dan een doel. Luz wil namelijk in de eerste plaats een bepaalde sfeer oproepen. En het mag duidelijk zijn dat Singer daar ontzettend goed in geslaagd is. De koel aandoende jaren ’70 interieurs, waarin we de personages wel hóren praten, maar dit niet zíen omdat ze te ver weg zijn, creëren vanaf het begin een akelig, mysterieus sfeertje. Voeg daar het korrelige 16 mm-formaat aan toe en het feit dat je je in de sowieso al in de daarvoor uitstekend geschikte Cinema Nova bevindt en je bent helemaal mee in Singers universum. Wanneer we de climax naderen waarin alle registers stevig worden open getrokken, dompelt de film het politiekantoor, waarin het grootste deel van Luz zich afspeelt, onder in één langgerekte mistige waas van terreur. Toch slaagt de film er in om te midden van die demonische terreur, zichzelf hier en daar gelukkig ook op subtiele wijze te relativeren.

De grote troef van Luz is zeker het efficiënte gebruik van jaren ’80 muziek. Soms met een aanzwellende doffe drumbeat, dan weer met dreigende keyboardakoorden, weet Tilman al zijn cruciale scènes prachtig op te bouwen. Parallel met de toenemende spanning, klinkt de beat alsmaar dwingender, terwijl de camera steeds dichter naar het voorplan sluipt.

In een boeiende Q&A achteraf met regisseur Singer kregen we meer uitleg bij de guerrilla stijl die moest gehanteerd worden omwille van het beperkte budget: zo was het niet mogelijk om dailies (de ruwe ongemonteerde beeldfragmenten) te bekijken tijdens de opnames, zodat pas na de hele draaiperiode de ruwe beelden bekeken konden worden. Bovendien konden er amper takes overgedaan worden: bijna alles wat werd opgenomen, belandde in de finale versie. Als een beginnend cineast onder die strikte beperkingen een dergelijk resultaat kan afleveren, zijn we benieuwd wat hij in zijn mars heeft voor een tweede langspeler met meer middelen ter beschikking.(JH)

Luz, Duitsland – 2018, Regie: Tilman Singer, Acteurs: Johannes Benecke, Jan Bluthardt, Julie Rieder, 70 minuten, Score: 7/10

Super Mario Bros.

alt

Wie reeds een kijkje is gaan nemen in de Nova Bar heeft waarschijnlijk de vintage Arcade Games al opgemerkt. Eén van de thema’s van Offscreen 2019 is namelijk het ‘Game On!’ Programma. Super Mario Bros., de eerste grote release gebaseerd op een video game, mocht dan ook toepasselijk de spits afbijten van dit programma.

Super Mario Bros. was bij voorbaat een gedoemde productie: hoofdrolspeler Bob Hoskins (Mario) wist niet eens dat hij een video game personage vertolkte. Dennis Hopper (King Koopa) was totaal niet geïnteresseerd in het project en gaf grif toe gewoon een smak geld nodig te hebben. De kern van het falen ligt echter in de totaal krankzinnige plot: het script werd ontelbare keren herschreven. Zelfs enkele weken voor de opnames, onderging het verhaal een heel aantal erg drastische veranderingen. Het uiteindelijke resultaat is dan ook zo van de pot gerukt, dat het nauwelijks te verklaren valt hoe zo’n grote onderneming, steunend op díé plot, in productie mocht gaan.

Super Mario Bros. gaat over twee loodgieters, de broers Mario (Bob Hoskins) en Luigi (John Leguizamo). Afgezien van hier en daar een knipoog naar wat paddenstoelen en een velociraptor die toevallig Toshi heet, houden daar trouwens ook de vergelijkingen met de video game volledig op. Het is dan ook raden naar welke strategie de producenten voor ogen hadden: de fans van de video game konden alleen maar teleurgesteld zijn omwille van de dunne band met het spel en de kijker die niet vertrouwd is met die game, kan alleen maar vol onbegrip en verstomming dit alles gadeslaan.

Dat gezegd zijnde kunnen we dik 25 jaar na datum wel zeggen dat Super Mario Bros. geen complete miskleun is. Er zijn verschillende momenten die het niveau van “zo slecht dat het grappig is” overstijgen en oprecht behoorlijk leuk zijn. Wie van goede wil is, durft ook toegeven dat de interactie tussen de broers soms bijna aandoenlijk is. Ook de actiescènes in het weelderige Dinohattan blijven vaak onderhoudend. Uiteraard nemen die verschillende (kleine) lichtpuntjes absoluut niet weg dat deze film niet meer is dan een aaneenschakeling van dwaasheden.

Het zal ook zeker niet geholpen hebben dat Super Mario Bros., een film waarin dinosaurussen een niet onbelangrijk deel uitmaken van het verhaal, uitkwam in 1993, enkele dagen voor dat ander filmpje over dino’s…: Jurassic Park. Om de zaken even in perspectief te plaatsen: Jurassic Park kostte naar schatting 63 miljoen dollar, terwijl Super Mario Bros. er toch ook 42 miljoen dollar zou doorgejaagd hebben, niet zo gek veel minder. Het verschil in kwaliteit echter… (JH)

Super Mario Bros. , Usa/Uk – 1993, Regie: Annabel Jankel/ Rocky Morton, Acteurs: Bob Hoskins, Dennis Hopper, John Leguizamo, 104 minuten, Score: 4/10

The King of Kong

altOp vrijdag 15 maart in de late uurtjes, kon je terecht in de Cinema Nova Bar voor een arcade Combat Video Game Night: een tornooi bestaande uit verschillende retro one-to-one gevechtspelletjes zoals Street Fighter, Mortal Kombat en Tekken. Enkele uren daarvoor kon je al afdalen in de wereld van het competitief ‘gamen’. De documentaire The King of Kong laat je kennis maken met die andere retro game: het originele Donkey Kong spel, dat ook het wereldberoemde personage Mario introduceerde aan de wereld. Elke documentaire is voor een groot deel afhankelijk van het materiaal waarmee je dient te werken en regisseur Seth Gordon krijgt hier echt wel goud in de schoot geworpen.

Wat meteen opvalt in deze vreemde subcultuur waarin de film ons onderdompelt, is dat de manier waarop de bewoners van die wereld praten over een elitecompetitie - in een universum van superatleten met heldenstatus - in ontzettend schril contrast staat met de bizarre figuren zelf: bleke, niet al te frisse jonge mannen die als zombies achter hun consoles staan. De film laat ons kennismaken met enkele ontzettend kleurrijke personages in dat wereldje en focust aanvankelijk op Billy Mitchell, onbekend voor de meesten onder ons, maar wereldberoemd in een kleine wereld. In 1982 scoorde hij namelijk een onvoorstelbare 886.900 punten bij het spelen van Donkey Kong, volgens kenners een bovenmenselijke prestatie en een record dat al meer dan 20 jaar stand hield. Billy Mitchell is het soort mensen waar een documentairemaker niet van durft te dromen. Steeds gekleed in strakke jeans, een hemd en een spuuglelijke kleurrijke das, in combinatie met zijn iconische aangezicht (die indringende blik! dat iconische kapsel!), is Billy een figuur die je niet gauw uit je geheugen zal wissen. Zie ook hoe hij steeds die dominante pose aanneemt met de benen lichtjes gespreid, handen in de zij. De man puilt uit van de grootheidswaanzin en ziet zichzelf als een soort übermensch superster, een summum van de verpersoonlijking van The American Dream. Billy Mitchell praat ook niet, hij declameert in one-liners. En jongens toch, wat zitten daar pareltjes tussen. Probeer maar eens onbewogen in je stoel te blijven zitten wanneer hij met uitgestreken blik in de camera kijkt en uitpakt met “no matter what I say, it draws controversy. It’s sort of like the abortion issue.” Als kijker is het constant genieten van de dualiteit tussen enerzijds de pure hilariteit van zijn daden en uitspraken en anderzijds de manier waarop hij zichzelf ten alle tijden au sérieux neemt. Hoewel we zelf meteen door hem heen kijken, hangen zijn volgers op het scherm als apostelen aan zijn lippen. Walter Day bijvoorbeeld, een van de belangrijkste en boeiendste nevenpersonages in The King of Kong, beweert met al even uitgestreken gezicht, dat Billy Mitchell de persoon is die het dichtste is geraakt bij het worden van een ‘jedi’. Ooit. We zouden het zelf niet kunnen verzinnen.

De rest van de film, volgt de camera vooral Steve Wiebe, een multi-getalenteerde dertiger, wiens ondernemingen nooit helemaal het verhoopte succes hebben opgeleverd: zijn grungeband, zijn baseballcarrière … overal kwam hij steeds net niet boven het maaiveld uit. Na een ontslag besluit hij dan maar om het wereldrecord van Mitchell aan te vallen. De film evolueert vervolgens tot een David vs. Goliath verhaal of beter: Rocky vs. Apollo Creed. Billy is de arrogante, zelfgenoegzame superster en Steve de eerder bedachtzame, maar volhardende underdog. De film kiest uiteraard de kant van de underdog en de “grote” Billy Mitchell laat zich steeds meer van zijn kleine kantjes zien wanneer hij de hete adem van Steve in zijn nek voelt. Wanneer de grote confrontatie nadert, wordt de hilariteitsteeds meer ingeruild voor tragiek. De kijker verandert dan ook van een geamuseerde toeschouwer in een betrokken supporter (van Steve uiteraard). Alles wordt misschien wel best samengevat door het dochtertje van Steve Wiebe die langs haar neus weg suggereert dat mensen soms hun leven verpesten door een record na te jagen en daarmee meteen de tragikomische toon van dit alles optimaal weet te illustreren.

The King of Kong, Usa – 2007, Regie: Seth Gordon, Acteurs: Steve Wiebe, Billy Mitchell, Adam Wood, 79 minuten, Score: 8,5/10

Zaterdag 16 maart

alt

La Casa Lobo

Het Chileense La Casa Lobo van het regieduo Joaquín Cociña en Cristóbal León is een even opvallend als hermetisch werkstukje, dat de ‘stop-motion’ techniek op heel bijzondere wijze aanwendt.

Schatplichtig aan het werk van zowel Jan Svankmajer als aan een aantal experimentele animatiestijlen uit de jaren negentienzeventig en – tachtig, brengt de film een technisch experiment dat opgesteld is aan de hand van een aantal regels die de makers zichzelf oplegden. Alle figuren, achtergronden en situaties worden op die manier op het scherm opgebouwd, waardoor kleurvlakken, vormen en lijnen, voor onze ogen verschijnen en de personages als het ware voor onze ogen gevormd en gevouwen worden. Anders dan de klassieke stop-motion die vooraf gevormde figuurtjes verplaatst om de illusie van beweging te wekken, worden we hier deelgenoot gemaakt van het creatieproces.

Die aanpak en conceptuele uitwerking, passen ook zeer goed bij de kern van het verhaal, die vasthangt aan het gegeven van de nazi-communes die her en der in Zuid-Amerika opdoken, waar gevluchte oorlogsmisdadigers een nieuw leven opbouwden. Het hoofdpersonage is een meisje dat wegvlucht uit ene dergelijke gemeenschap – gesymboliseerd door de ‘wolf’ – een eigen bestaan uitbouwt, haar kinderen letterlijk creëert uit materiaal dat voor handen is en uiteindelijk toch weer de wolf in zichzelf moet erkennen. De fluïde, steeds wisselende composities van kleuren en vormen, weerspiegelen dan ook perfect de worsteling van de jonge protagoniste. Ondanks de soms wat repetitieve structuur, weet de film te blijven boeien dankzij de soms ijzersterke taferelen die hij oproept: hoogtepunten zijn de pikzwarte tranen die in papieren repen uit de ogen van de kinderen komen en de soms ijzingwekkende transformaties van mens naar dier en vice versa.

Om de film te maken reisden Cociña en León naar twaalf verschillende musea in de hele wereld en integreerden deze in de opmaak en achtergronden van de film.(DVB)

La Casa Lobo, Chili/Duitsland – 2018, Regie: Joaquín Cociña en Cristóbal León, Acteurs: Amalia Kassai, Rainer Krause, 75 minuten, Score: 7/10

Joysticks

alt

De hilarisch platvloerse ‘teen sex comedy’ Joysticks van Greydon Clark, slingert u terug naar de jaren tachtig. Alles draait rond de rivaliteit die ontstaat in een voorbeeldig voortuinstadje, wanneer de eigenaar van de lokale ‘video-arcade’ het iets te bont begint te maken. De ‘horndog’ cinema van de jaren tachtig – die eigenlijk voornamelijk draait om tienerjongens die op blote borsten geilen – is weinig kwalitatief, maar toch zijn deze films curiositeiten die op elke filmliefhebber zijn bucketlist zouden moeten staan. Het was onvermijdelijk dat er een film uitkwam die de grote ‘klassieker’ in het genre - Porky’s - combineerde met de wereld van de videospelletjes. Deze platvloerse sekskomedies waren bijzonder populair in de tijd dat Joysticks in de zalen kwam en het succes leidde ook in de jaren negentig nog tot nakomelingen zoals American Pie.

Het eerste tijdperk van de videospelletjes en de impact ervan op de ‘Pac Man’ generatie, is in Joysticks alomtegenwoordig. Er is amper een plot en de humor is zo wansmakelijk dat in lachen uitbarsten de enige mogelijke reactie is. Zulke films zijn ondenkbaar in deze tijd. In die zin kan de prent toch enige contemplatie oproepen: we worden ons er zeer van bewust dat onze hedendaagse ‘politiek correcte’ wereld er een is die heel ver af staat van die in de jaren tachtig.

De acteerprestaties zijn hilarisch slecht en het enige echt waardevolle aan de film is dat hij een tijdscapsule vormt. Evenwel is de prent uiteraard bedoeld om de lachspieren te sterken: wie kan er nu niet genieten van een film waarin de overgangen worden gemaakt door het ‘Pac Man’ figuurtje dat happend over het scherm glijdt. Pittig detail: de fotografieleider Nicholas Josef von Sternberg is zoontje van, maar heeft het creatieve talent van zijn vader spijtig genoeg niet geërfd.(YDB)

Joysticks, Usa – 1983, Regie: Greydon Clark, Acteurs: Joe Don Baker, Leif Green, Jim Greenleaf, 88 minuten, Score: 5/10

Donderdag 21 maart

Nekromantik

alt

Voor de vertoning van Nekromantik kon het Off Screen film festival uitpakken met een unicum: de enige bestaande 35mm print van de film bevindt zich immers in de Brusselse Cinematek en het is die kopij die kon getoond worden (oorspronkelijk werd de film gedraaid op zogenaamd ‘Super 8’ formaat – volgens de regisseur zelf ‘erger dan VHS’ – maar door blijvend cultsucces werd besloten de beelden eenmalig ‘op te blazen’ tot 35 mm). Het beruchte Nekromantik is een typisch voorbeeld van een film die een reputatie opbouwde op basis van geruchten, posters en fragmenten, eerder dan op basis van getuigenissen van mensen die de prent ook echt gezien hadden.

Alle heisa rond de prent heeft uiteraard te maken met het onderwerp: een jongeman steelt een rottend lijk en bouwt vervolgens een seksuele driehoeksrelatie op met zijn vriendin en het aftakelende lichaam. Wanneer het meisje op een dag met hun ‘vriend’ verdwijnt, verliest de protagonist zich steeds meer in aberrant gedrag, waar ook een dode kat en een aantal onschuldige slachtoffers bij betrokken raken.

Het amateurisme waarmee dit allemaal in beeld gezet is, spat van het doek af (ook letterlijk bijna tijdens de expliciete finale), maar regisseur Jörg Buttgereit weet alles ternauwernood overeind te houden dankzij een zeker gevoel voor stijl en compositie. Dat die stijlfiguren vooral gejat zijn uit andere films vormt niet eens zo’n grote hinderpaal en levert hilarische beelden op van seksuele hoogstandjes met het lijk, die gemonteerd zijn als ware het een van de softcore erotische prenten van David Hamilton uit de jaren negentienzeventig.

Nekromantik verwierf een stevige cultreputatie, wat leidde tot allerlei bizarre hineininterpretierung. Zo noemde een criticus de prent ‘de eerste film over AIDS: mensen slapen letterlijk met de dood’, een uitspraak waarover Buttgereit zich regelmatig stomverbaasd toonde: wat hem betreft is en blijft dit een weekendproject dat hij opzette met enkele vrienden en dat vooral bedoeld was om een soort Duits equivalent te brengen van de confronterende undergroundfilms van John waters. Nekromantik ging in 1987 in première in drie kleine Berlijnse filmzalen, maar zelfs dat bleek te veel eer: aangezien er slechts twee 8mm kopijen bestonden, moest een van de films voortdurend heen en weer gereden worden tussen twee locaties.(DVB)

Nekromantik, Brd – 1987, Regie: Jörg Buttgereit, Acteurs: Bernd Daktari Lorenz, Beatrice Manowski, Harald Lundt, 75 minuten, Score: 6/10

Gyakuten Saiban (Ace Attorney)

alt

In tegenstelling tot de allereerste verfilming van een video game – zie iets hoger op deze blog de recensie van het behoorlijk waanzinnige Super Mario Bros. – koos Ace Attorney er wél voor om dicht bij de de originele game te blijven. Een tactiek die misschien niet noodzakelijk garant staat voor een geslaagde film, maar je zorgt er wel voor dat de eerste horde – het overtuigen van de fans – vlotter kan genomen worden.

Ace Attorney speelt zich voornamelijk af in de futuristische rechtszalen van Japan, waar bewijsmateriaal in de vorm van flitsende 3D-hologrammen met een vingerknip tevoorschijn getoverd wordt. Het verhaal focust op twee rechtszaken: een eerste die voornamelijk dient om het futuristische Japan en zijn personages te kaderen en een tweede - erg lange - waarin advocaat Phoenix Wright zijn jeugdvriend Miles Edgeworth dient te verdedigen die beschuldigd wordt van moord. Zijn nemesis is de onfeilbare advocaat – verloor nog nooit een rechtzaak na 40 jaar dienst – Franziska von Karma. Zonder de boel te al veel te willen verklappen: ‘nomen est omen’ zal even later blijken voor deze man.

Ace Attorney is een film van de beruchte Japanse regisseur Takashi Miike. Die maakte eerder vooral faam met gestileerde horror zoals Audition of ontzettend brutale, shockerende actie (Ichi the Killer). Twee prenten die zeker niet zouden misstaan op de affiche van het Offscreen festival. Hier kiest hij voor een andere invalshoek en blijft hij erg trouw aan de anime stijl van de oorspronkelijke video game, inclusief ridicule kapsels, en laat hij zijn acteurs in echte anime stijl uitpakken met overdreven dramatische poses, fors overdreven gelaatsuitdrukkingen en uitzinnig geschreeuw. Niet even evident voor een West-Europees publiek om zich die stijl eigen te maken, maar voor fans van het genre ongetwijfeld heerlijk om in live-action vertaald te zien.

De film blijft overeind omdat hij niet in de val trapt zichzelf al te serieus te nemen: de link met de video game wordt breed uitgesmeerd en geen enkele overdrijving wordt uit de weg gegaan. Te pas en te onpas wordt er dan ook uitgepakt met karikaturale humor, die gek genoeg steeds opnieuw vrij goed blijkt te werken. De film komt er evenwel minder goed mee weg dat de plot weinig meer is dan een eindeloze opeenvolging van plotse geniale ingevingen van de twee advocaten die de degens kruisen: Phoenix Wright lost een stukje van de puzzel op, maar wordt dan weer gecounterd door zijn tegenstander die met een tegenbewijsstuk komt aandrijven en ga zo maar door. Dat dit in een video game werkt om zo telkens een level hoger te komen, begrijpen we, maar een film van 135 minuten (!!!) houdt je daar niet mee aan de gang. De meeste personages evolueren dan ook hoegenaamd niet en het hoeft geen verrassing te heten dat de aandacht en interesse van de kijker hierdoor iets te hard op de proef worden gesteld.(JH)

Gyakuten Saiban (Ace Attorney), Japan – 2012, Regie: Takashi Miike, Acteurs: Takeharu Sakurai, Sachiko Ôguchi, Shu Takumi, 135 minuten, Score: 5,5/10

Vrijdag 22 maart

The Killing of America

alt

’Don’t enjoy the movie. But try to experience the sensation of it.’ Na een al even onheilspellend overzicht van wat voor taferelen we te zien zouden krijgen, werd The Killing of America met die onheilspellende woorden ingeleid door de Offscreenpresentatoren. Iedereen in Cinema Nova groef zich alvast enkele centimeters dieper in in zijn zitje, terwijl de bloedrode letters The Killing Of America van het scherm spatten.

The Killing of America past in het ‘Death On Film’ Programma, bestaande uit een lugubere mix van fictiefilms, maar ook een heel aantal documentaires/shockumentaries waarin sterfgevallen en moorden zo expliciet mogelijk in beeld worden gebracht. Bij Mondo films zoals Mondo Cane en het onterecht zeer beruchte Faces of Death wordt echte gruwel afgewisseld met geënsceneerde gruwel. Een groot deel van de kijkervaring wordt dan ook overheerst door die steeds terugkerende vraag: is dit echt? In het geval van The Killing Of America is het antwoord even simpel als verbijsterend. Alle scènes van geweldpleging zijn écht. Afgezien van enkele interviews met daders en reshoots van enkele crime scènes bestaat deze docu dan ook bijna uitsluitend uit archiefmateriaal, afkomstig uit de gewelddadige onderbuik van de Verenigde Staten van Amerika anno 1960 tot ’80. De film postuleert dat de oorsprong van het extreem geweld min of meer samenvalt met de aanslag op JFK in 1963. Vervolgens focust de film op een soort “worst of” selectie van gewelddadige feiten in de daaropvolgende jaren, waarin eerder onbekende geweldplegingen afgewisseld worden met enkele onderhand niet meer uit het collectief geheugen te wissen beelden (de aanslagen op Martin Luther King, Robert Kennedy, John Lennon…) die helpen om alles binnen een tijdskader te situeren.

De docu dateert al van 1981 maar al snel moeten we vaststellen dat hij – wat hadden we anders verwacht – brandend actueel is: we zien blanke agenten genadeloos uithalen naar zwarte activisten en lone wolves ravage aanrichten in nietsvermoedende menigtes. Hoewel de film een bombardement is op wat een gemiddelde geestestoestand aankan, treedt er echter nooit een verlammend effect op. Bij het zien van een militair die bijna in close-up een jonge Vietnamees dwars door zijn slaap schiet of bij het horen van de doffe smak van de geweerkolf waarmee een agent keihard uithaalt naar een demonstrant, slaat je hart telkens opnieuw even over en wil je enkel verdwijnen in je stoel en ontsnappen. Eén van de meest bizarre en bloedstollende taferelen staat op naam van een zekere café-uitbater die van zijn hypotheekmakelaar geen uitstel kreeg om zijn schuld af te betalen. Daarop ging hij door het lint en paradeerde hij de arme man maar liefst drie dagen, voor de ogen van pers en politie, door de straten van Indianapolis met een shotgun tegen zijn nek.

Deze docu onthoudt zich van enige ideologie, politiek of het aanreiken van oplossingen en tracht dus enkel zaken vast te stellen. Die vaststellingen zijn dezelfde cijfertjes en statistieken die we al kennen uit Michael Moores Bowling for Columbine: dat er in vergelijking met gelijkaardige landen in West-Europa in de Verenigde Staten een veelvoud aan wapens circuleert en dat er jaarlijks een veelvoud aan moorden wordt gepleegd met die wapens. Het is echter die onversneden ‘slap-in-your-face’ stijl die ervoor zorgt dat het resultaat allesbehalve vergelijkbaar is. Waar Moore elke keer opnieuw zo nodig moet eindigen met een hoopvolle boodschap en steeds oproept tot activisme, wil The Killing of America gewoon een bleke dystopie op je afvuren. Helaas slagen de makers daar erg aardig in: We zagen niemand om ons heen die de zaal goedgemutst verliet.

Interessant trouwens om te weten wie er aan de schrijftafel zat van deze prent: Leonard Schrader, broer van Paul Schrader die met Taxi Driver een al even pessimistisch beeld van de Verenigde Staten van Amerika van toen neerzette. Geen al te vrolijke taferelen aan de eettafel bij de familie Schrader dus…(JH)

The Killing of America, Usa/Japan – 1981, Regie: Sheldon Renan, Leonard Schrader, Acteurs: Chuck Riley, Ed Dorris, Thomas Noguchi, 90 minuten, Score: 7/10

Zondag 24 maart

Zan (Killing)

alt

De Japanse regisseur Shin’ya Tsukamoto, brak door in 1989 met het opzienbarende cyberpunk-epos Tetsuo, the Iron Man. In Tetsuo II: Bodyhammer en Tetsuo III: the Bullet Man, werkte Tsukamoto zijn fascinatie voor de versmelting tussen mens en machine verder uit en creëerde hij een uniek eigen cinematografisch universum. Met Killing draait hij voor het eerst een samoerai-film en filtert hij ook dit genre doorheen zijn eigenzinnige blik.

Het hoofdpersonage is een zwijgzame jonge krijger, die in een klein boerendorp leeft, waar hij de landbouwers helpt met de oogst en een lokale jongeman gevechtstechnieken bijbrengt. De film – die opent met beelden van de traditionele smeedwijze voor een zwaard – legt bijzonder veel nadruk op de relatie tussen een samourai en zijn wapen en de techniek die de strijder moet onderhouden. Het verhaal toont de protagonist als een absolute meester hierin. Hij blijkt echter nog nooit een mens gedood te hebben en vindt een vreemde nemesis annex leermeester, in de figuur van een zwijgzame oudere krijger (gespeeld door Tsukamoto zelf) die hem wil aanzetten tot het eindelijk volbrengen van zijn eerste dodelijk gevecht. De hele film is opgebouwd rond deze ‘pijn van het doden’ : een blasfemische daad die in al zijn barbaarsheid in beeld wordt gebracht. Het grootste deel van deze inzake ritmiek vaak zeer ongrijpbare prent, bestaat uit traag opgebouwde contemplaties over de ‘daad van het doden’, waardoor de schaarse echte gevechtsscènes bijzonder hard aankomen. Het briljant geënsceneerde krijgstafereel halverwege, slaagt er in een haptisch element toe te voegen aan de actie, wat er voor zorgt dat de kijker de vreselijke mutilaties ook echt als een bijna fysiek gegeven ondergaat.

Er is de hele filmgeschiedenis lang een sterke correlatie geweest tussen het genre van de western en de samoerai-film en de hier naar voor gebrachte bespiegelingen over de relatie tussen mens, wapen en het moorden, maakt van de figuren in deze Killing dan ook alter ego’s van Clint Eastwood in het thematisch gelijkaardige Unforgiven of John Wayne in John Fords The Searchers. Dit is niet de grote briljante deconstructie van de ook in Japan wijd verspreide ideologische mythe die rond de figuur van de eenzame krijger gebouwd werd, zoals die bijvoorbeeld te vinden was in Seppuku van Masaki Kobayashi (daarvoor vervalt de film gaandeweg te veel in herhaling) maar deze idiosyncratische benadering van hét lokale Japanse genre bij uitstek, is boeiend en uitdagend genoeg om probleemloos 80 minuten lang te boeien.(DVB)

Zan (Killing), Japan – 2018, Regie: Shin’ya Tsukamoto, Acteurs: Shin’ya Tsukamoto, Yû Aoi, Sôsuke Ikematsu, 80 minuten, Score: 7,5/10

Dinsdag 26 maart

Hardcore

alt

’There’s a lot of things happening in this world…a lot of doors that should not be opened’…Hardcore van Paul Schrader is niettemin een cinematografische deur die u zeker eens geopend moet hebben. De film begint met vrolijke kerstverlichting in de sneeuw en een strenge calvinistische gemeenschap, van waaruit we de zoektocht van de wanhopige vader Jake Van Dorn (George C. Scott) zullen volgen, wanneer die zich ‘down a rabbit hole’, begeeft, gevuld met goedkope seksclubs en dito bars waarin hij zijn vermiste dochter gaat zoeken.

Paul Schrader, die we vooral kennen als scriptschrijver van Taxi Driver, weet ook hier een existentialistische ‘hard core’ te bereiken. Zijn de werelden waarin hij vertoeft - werelden die in extreem contrast lijken te staan - in hun kern wel zo verschillend? Zijn de mannen dan niet in beide werelden ijdele controle freaks en staan de individuen niet ten dienste van de groep? Welke waarden gelden er en wat is het belang van seks? ‘Niet zo veel’ meent de prostituee die Jake doorheen zijn odyssee begeleidt ‘jij hecht er zo weinig belang aan dat je het zelfs niet doet en ik zo weinig dat ik het met iedereen doe’ proclameert ze wijselijk.

Wanneer de vader van dit streng calvinistische gezin een pornovideo te zien krijgt waarin zijn dochter figureert en ontdekt dat de detective die hij heeft ingehuurd om haar terug te vinden zelf niet vies is van het porno milieu, trekt hij zelf op onderzoek uit. We doorkruisen samen met Jake de neonverlichte straten van L.A. vol seks cinema’s, Turkse stoombaden en allerhande ondergrondse clubs, waarvan er in één met ‘lightsabers’ vechtende strippers te vinden zijn (Star Wars was twee jaar eerder uitgekomen en razend populair). De film is rauw – met dank aan het feit dat vele scenes ook in bestaande straten gefilmd zijn – heeft een humoristisch-fatalistische ondertoon en een sterk kleurenpalet waarin we de stijlfiguren van de jaren tachtig reeds voelen vibreren. De helletocht van een man in een wereld waarin hij niet thuishoort, wordt sterk vertolkt door George C. Scott, die met grote geestdrift en ontembaarheid doorheen de plot dwaalt. Een tikkende tijdbom, die bij momenten tot vulkanische uitbarsting komt.

De scene waarin hij vechtend in een bdsm bordeel door de muren heen breekt en van een blauw verlichte in een rode en vervolgens een groene kamer rolt, is een meesterlijk staaltje cinema. Jake verliest zichzelf steeds meer op zijn tocht doorheen dit ‘rabbit hole’ en net als John Wayne in Fords The Searchers, zal hij geconfronteerd worden met een realiteit die zijn nostalgisch ideaalbeeld verbrijzelt. In dit geval een veranderde dochter die hem confronteert met zijn tekortkomingen. Net als bij Ford worden de mannen getransformeerd doorheen hun tocht en zoals in de films van Micheal Mann, zal men steeds zelf datgene beginnen incarneren dat men bevecht.

De prent is bijzonder gelaagd en spreekt over onderwerpen als seks en consumptie, over religie en hoe liefde en controle over de ander, door sommigen soms verward worden. De film werd door velen als een mislukking beschouwd: zo wou fotografieleider Michael Chapman graag in 16mm draaien om hem een meer antropologische benadering te evoceren en vond Paul Schrader een van zijn meest persoonlijke films (Hardcore gaat over zijn vader) zelf niet sterk genoeg. Dankzij de Cassavetiaanse ruwheid en het oproepen van verpletterende existentiële vraagstukken, blijft deze brok ruwe cinema gelukkig ook vandaag nog stevig overeind. (YDB)

Hardcore, Usa – 1979, Regie: Paul Schrader, Acteurs: George C. Scott, Peter Boyle, Season Hubley, 108 minuten, Score: 8/10

Vrijdag 29 maart

alt

Double Bill: A Woman’s Torment & The Tiffany Minx

Het laatste weekend van het Offscreen Festvial 2019, was opgedragen aan Roberta Findlay. Findlay is een van de weinige vrouwelijke cineasten die werkzaam waren in de ‘sexploitation’ cinema van de jaren negentienzeventig en – tachtig. De ondertussen eenenzeventigjarige dame kwam zelf naar Brussel, onder andere om op zaterdag een ‘masterclass’ te geven.

Vrijdagavond stond een ‘double bill’ op het programma en A Woman’s Torment mocht de spits afbijten. Hoewel Findlay vooral bekend is om haar stevige werk in het pornogenre, heeft ze ook een aantal films op haar palmares waarin ze een poging ondernam om een aantal nieuwe elementen binnen te brengen in haar werk. A Woman’s Torment is daar een treffend voorbeeld van, al is het zeker zo dat dat niet meteen wil zeggen dat het resultaat de moeite waard is. De film is opgezet als het portret van een gestoorde vrouw (Tara Chung) die haar minnaars ombrengt nadat ze seksueel opgewonden raakt. De karakterschets is evenwel een lachertje en is vooral amusant als aanleiding voor een stevig potje ‘overacting’ door de hoofdrolspeelster. De balans tussen seks en verhaal is bijzonder onevenwichtig (en omdat Offscreen de ‘softcore’ gekuiste versie toonde werd dit nog eens extra in d verf gezet) en zorgt er voor dat de prent inzake ritmiek weinig te bieden heeft. Die halfslachtige benadering maakt dat A Woman’s Torment helaas vooral uitblinkt in verveling, al valt er af en toe smakelijk te lachen met de weinig politiek correcte houding van de mannelijke personages.

De tweede titel van de avond bracht op veel vlakken meer van hetzelfde en dat mag in dit geval erg letterlijk genomen worden: het decor is hetzelfde strandhuis als in A Woman’s Torment waarin we dezelfde acteurs zien opduiken, die bovendien in krek dezélfde kostuums gehesen worden – op de relatief schaarse momenten dat kostuums nodig zijn althans. Het meest frappante verschil ligt in de veel minder suggestieve mise-en-scène. In tegenstelling tot de vorige titel, maakt The Tiffany Minx geen gebruik van handig knip-en-plakwerk dat moet suggereren wat er daar beneden gaande is (nogmaals, de vertoonde kuise versie geeft waarschijnlijk een verkeerd beeld). Dat levert een hele reeks expliciete ejaculatieshots op, die vooral leerrijk zijn op het gebied van de intieme haartooi anno 1981.

Met enige goede wil zou je kunnen stellen dat in The Tiffany Minx min of meer een plot wordt opgezet wanneer Jessica (Crystal Sync) plots aangevallen en verkracht wordt door een onbekende indringer. Gezien de vele affaires in haar omgeving en het feit dat ze op een stevige pot geld zit, ontspint er zich na die verkrachting een soort van mystery thriller. De kijker moet evenwel heel welwillend zijn om de aandacht bij dat aspect van de film te houden, want de ‘whodunit’ verdwijnt steeds vrij snel naar de achtergrond. Het is dan ook behoorlijk komisch wanneer in de laatste minuten plots een hele set-up, afhandeling én plottwist nog snel dienen uitgelegd te worden aan de kijker.

Voor een portie goede smaak moest je eergisteren zeker niet naar Cinema Nova afzakken, maar de films bieden wel een interessante kijk op het ‘porno chique’ gegeven dat vooral in de jaren zeventig opgang maakte. Titels als Deep Troath en Emmanuelle suggereerden dat er ook in het pornografische en erotische genre zoiets zou kunnen bestaan als auteurscinema, een idee dat in het liberaal denkende Hollywood verdacht veel aanhang vond. Uiteindelijk bleek enkel het beruchte L’Empire des Sens van Nagisha Ôshima ook maar enigszins in de buurt te komen van die utopie en ging het idee ten onder in de revolutie die door de opkomende populariteit van video werd aangestuurd. Hoewel The Tiffany Minx vrijdag te zien was op een zeldzame 35mm kopij (die halverwege brak, een mooie nostalgische terugkeer naar de materialiteit van de filmdrager) wordt de wereld van de porno vanaf het begin van de jaren tachtig stormenderhand ingenomen door goedkope producties die op video gedraaid worden en die het genre verbannen naar groezelige bioscopen in seksshops – dit in tegenstelling tot de voorzichtige opname in de mainstream die zich een decennium eerder had ingezet. Interessanter dan veel van de films die door dit alles het levenslicht zagen, is Boogie Nights van Paul Thomas Anderson, dat dit proces in een briljante prent weet te gieten.(JH)

E-mailadres Afdrukken
 
Off Screen Festival 2019 Blog

Advertentie
Banner
Advertentie

TEST